Geen mens weet hoe laat het is

Beste R.,Ik hoop dat je innerlijk gewricht weer functioneert. Het is niet niks om zomaar ineens niet meer te weten waar je bent en wie, en wat voor een dag het is; als ik het goed heb, schrok je van dat laatste het ergst, anders had je die krant niet gepakt. Onhandig dat er alleen een oude lag, 8 februari, wat moest je daarmee hartje zomer, juist terug uit het strandhuis. Toch maar eens opgestaan en naar het raam gelopen; sneeuw op het gras, nogal grijzig, de hond at ervan.

Ik zet het even op een rijtje want met die verspreide mails hou ik het anders niet vast. Gewone dingen gedaan in je strandhuis op 8.2.07, gras gemaaid, dat stopcontact vernieuwd. Het is een warme zomer, het zweet loopt in straaltjes voor je ogen. Met koud bier buiten gaan zitten en naar de zee gekeken, de zee verveelt nooit, salsa op de iPod en na twintig minuten heb je het wel weer gezien, tijd om de auto te starten. Nee, eerst nog de hond geroepen, die ervandoor is gegaan terwijl jij naar de zee keek en daar nu op aalscholvers jaagt met een sliert blaaswier tussen zijn tanden. Alles normaal en in orde.

Wat me niet losliet, was wat je vertelde over die muis. Dat je haar al een tijdje in de gaten had. Keutels, snippers, een luchtje. Dat je een val wilde zetten, maar het niet deed, je wist niet waarom. Dat gevoel dat je haar moest volgen, haar in haar gewone doen zien. Dat verbaasde me, R., ik zeg niet dat ik het niet begrijp, ik ken je zo niet. Ik ken je als iemand van de bezem erdoor. Bij jou geen larven in het meel, geen doodskloppers in gesprek in je boekenkasten, onduidelijk geschraap aan de binnenkant van een vloerluik. Jij weet alles, je ziet alles en je vergeeft niks. Je hond gaat elk weekend in bad, elk kwartaal naar de trimmer. Dus die muis verbaasde me al.

En dat je haar toen vond. Of liever, je hond begon op een bepaald moment alles open te wroeten, je hielp haar een handje. Het nest in de plint van de keukenkast, oude truc. Het knaagsel waarin je een zoekgeraakte sok herkende, de hotelbijbel, isolatiemateriaal uit de kelder; ze moest nogal wat trajecten hebben afgelegd. De vijf naakte jongen, obsceen rood, eikelglad, glimmend. Geen moeder, dat maakte het allemaal nog veel erger; wat je moest met dit, hoe het verder. Je hond wist er wel weg mee, liet hij vlug merken. Je hond houdt van netjes.

Toen dus die verwarring. Terug. Stond hij daar sneeuw te eten.

En dat er niets was. Dat was nog het bizarste, zo zei je het zelf toen ik belde. Alle reacties in orde, all faculties intact. En waarom je dan nu al een week liep met het gevoel dat je uit de kom was. Ergens iets losgeschoten. Draaide niet goed meer.

We hebben twee gezichten, een stromend en een gestold. We hebben de tijd die doorloopt en een andere, altijd onaf, geen mens weet hoe laat het is.

Waar je bent voortaan, vraag je. In Wanorde, R. Schuif aan.