Een vreemd gas uit de longen

Ter gelegenheid van de Boekenweek verschijnen prachtige uitgaven. Maar sommige zijn prachtiger dan andere.

Humor is de pauzeknop van de ernst, staat in de inleiding van PerpleXicon, het abc van de nonsens. Maar wie dezer dagen door een boekhandel loopt, zal eerder op zoek gaan naar de pauzeknop van de humor. Want de Boekenweek onder het moto ‘Lof der zotheid’ heeft een vloedgolf aan titels veroorzaakt waarvan in elk geval de organisatoren menen dat die iets van doen hebben met ‘scherts, satire en ironie’. En zoals ieder jaar levert het thema van de Boekenweek een aantal prachtige boeken op. Het enige nadeel: er verschijnen óók een paar dozijn ándere boeken over dat thema.

Dat Perplexicon, van Tysger Boelens en Gerrit Komrij (Nijgh & Van Ditmar, € 29,90), is trouwens zo’n prachtboek. Niet omdat er zo veel in te lachen valt, maar juist omdat het laat zien hoe bizar de invallen van een mens kunnen zijn, en daarbij is de lach niet veel meer dan een welkom neveneffect.

Van veel schrijvers die in Perplexicon aan de orde komen, verschijnt ook apart werk in de Boekenweek. Zo staan er dikke boeken in de schappen van Herman Finkers (Finkers op een hoop, Thomas Rap), Youp van ’t Hek (Is Youp leuk? Thomas Rap), Kees van Kooten (In de lach geschoten. De Bezige Bij), Jules Deelder (Deelder lacht, De Bezige Bij) en Remco Campert (Een lach en een traan, De Bezige Bij). In alle vijf gevallen gaat het om liefdeloos uitgegeven verzamelingen oud werk. Een serieuze datering van de verhalen ontbreekt, evenals een introductie of enige vorm van duiding – alleen Van ’t Hek had zoveel eergevoel dat hij een korte inleiding schreef. Hier wordt geen pauzeknop bediend, maar de fast forward-knop van het snel boeken maken. De bundels kosten ook allemaal hetzelfde: € 12,50. Dat er echte literatuur in staat (geen kwaad woord over Deelders ‘Schöne Welt’, Van Kootens ‘Modermismen’ of welk verhaal dan ook van Campert) maakt de aanblik van deze boeken nog treuriger.

Van hetzelfde laken en pak is De opheffing van Bob (De Bijenkorf, € 3,95), vier oude verhalen van Wilfried de Jong. Feitelijk gaat het hier om de opheffing van het alternatieve Boekenweekboekje van De Bijenkorf. Ooit leverde het warenhuis een serieuze concurrent voor het Boekenweekgeschenk, maar dat is helaas afgezwakt tot een zielloze herhalingsoefening.

Eén troost: ook het chagrijn over de gemakzucht van uitgevers en warenhuizen heeft een pauzeknop. Die wordt, gelukkig bediend door Hans Dorrestijn. Dorrestijns Vogelgids (Nijgh en Van Ditmar, € 24,95) heeft het uiterlijk van een echte vogelgids, geïllustreerd met tientallen kleurenfotootjes – van Staartmees tot Kleinst Waterhoen. Het boek gaat inderdaad over vogels, zij het dat de eigenlijke tekst bijna geheel uit verhalen van Dorrestijn bestaat. De vogels voeren daarin zelden de boventoon; het kan zomaar gaan over een ontmoeting in de tram met Gerard Reve, of over Dorrestijns verrukking toen hij voor het eerst in levenden lijve een Spaanse mus zag. Ze is moeilijk te onderscheiden van onze mus, maar ‘zij verhoudt zich tot de Huis- en Ringmus als een volwassen flamencodanseres tot een blond dansmarieke’. Ook nieuw is het postuum verschenen Een lijk kan heus wel even wachten (Nieuw Amsterdam, € 14,95) van de vorige zomer overleden cabaretier Bert Klunder, een mooi monumentje in boekvorm.

Erasmus’ Lof der zotheid werd (uiteraard) herdrukt (Athenaeum-Polak & Van Gennep, € 14,95), maar nu ook opgeluisterd met werk van tien hedendaagse Nederlandse (strip)tekenaars. Een andere tekenaar, Dick Matena, illustreerde trouwens een heerlijk smerig gedicht van Gerrit Komrij: Komrijs patentwekker (De Bezige Bij, € 12,50). En een verzameling spitsvondigheden van Herman Brusselmans werd in een nieuw jasje gestoken onder de titel Nog steeds geen paniek (Prometheus, € 14,95).

Een vlotte herdruk van minder bekende waar is De beste schrijver van Nederland, een 15 jaar oud feuilleton van Ronald Giphart en Bert Natter (Podium, € 11,50), waarin de verzamelde Nederlandse schrijvers bij een Gronings kasteel strijden om de Gouden Appel. Aan de flauwe kant, maar de regel ‘Willem Brakman stuiterde op zijn skippybal alle tenten langs, overal mysterieus roepend “Jozef, blauw niet meer”’ had ik niet graag willen missen. Het is het soort semi-belezen meligheid waar de laatste bloemlezing van Propria cures vol mee staat. Met een tank door de voordeur (Nieuw Amsterdam, € 15,-) is even wisselvallig en verrassend als het blad zelf. Maar de beschrijving van Hans van Mierlo die in zijn slaapkamer moet waden door de Ischa Meijer-parafernalia die zijn partner Connie Palmen er heeft binnengebracht is de moeite waard. En het verhaal waarin een soldaat te midden van een copulerende massa op een strand plotseling viool gaat staan spelen, is niet lollig, maar wel gek en goed.

En toen viel ik van het podium (Prometheus, € 15,–) is de titel van een door Lidewijde Paris verzamelde bundel verhalen en anekdotes van schrijvers over hun publieke optredens. Veel oud en nieuw werk van grote namen (Rosenboom, Van der Heijden, Krol, Grunberg, Maarten ’t Hart) en een paar erg geslaagde stukken, zoals een schmierende Geerten Meijsing in een fragment uit zijn roman De grachtengordel en een Hollands dagboek van Annejet van der Zijl.

Er wordt nog meer gebloemleesd: lichte poëzie door uitgeverij Mouria (Zo klinkt dus weggesmeten geld, € 15,-), cabarettekstjes door Nijgh & Van Ditmar (Van de zotten, € 5,-, maar wél met een aardige inleiding), en een verzameling van humorgerelateerde teksten uit de oudheid door Athenaeum-Polak & Van Gennep onder de melige titel: Komt een Griek bij de dokter (€ 14,95). Voorlopige conclusie: de heren in de oudheid hadden vaak een hekel aan vrouwen, bijvoorbeeld omdat ze praten tijdens het eten (Juvenalis) of afstammen van ‘de stugge grauwe ezelin’ (Semonides). Socrates wordt opgevoerd als superieur ironicus. Een leuk boek.

De Arbeiderspers liet een vrouw, columniste Sylvia Witteman, een keuze maken uit de ‘Kronkels’ van de door haar bewonderde Simon Carmiggelt. Ik lieg de waarheid (De Arbeiderspers, € 15,-, met cd) is een boekje dat werkelijk om te lachen is, inclusief een signeersessie-anekdote en die is beter dan alles wat er te vinden is in het al genoemde En toen viel ik van het podium. Sylvia Witteman zelf is in Pekingeend bij nacht (De Arbeiderspers, € 14,95) een stuk grover dan Carmiggelt ooit had willen zijn, maar vaak niet minder geestig. Bijvoorbeeld in haar gevecht met de dierlijke elementen in haar huishouden: ‘Laatst vond ik onder de krantenbak nog een versteende halve muis terug, en de knagende vraag diende zich aan waar de andere helft was gebleven. Zo’n rondscharrelende baby eet tenslotte alles wat niet abstract is.’

In het boekengeweld wordt de pauzeknop ook nog poëtisch bediend en wel in het prachtig uitgegeven Dank voor je brief, het gaat iets beter (Nieuw Amsterdam, € 16,90) een briefwisseling op rijm van Frank Koenegracht en Sjoerd Kuyper, inclusief tekeningen van de eerste. De rijmbrieven zelf zijn soms flauw, soms ontroerend en soms onbekommerd vunzig, vooral de brief waarin Kuyper iets beschrijft wat je het beste een vijver-orgie kunt noemen. Hij vergrijpt zich aan de waterlelies, salamanders, libellen en zo meer: ‘Alleen met de pad/ heb ik nooit iets gehad.’

Veel boeken om te lachen dus, maar wordt er dan niet over humor nagedacht, deze Boekenweek? Misschien in Wat leuk is en wat niet van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes (Athenaeum-Polak & Van Gennep, € 7,95), een gefingeerde dialoog tussen Kees Fens en Geert Mak, even overgaand in een dialoog tussen Multatuli en Batavus Droogstoppel. Het is een merkwaardig boekje, waarvan het maar niet duidelijk wil worden of het nu ter lering of ter vermaak is geschreven.

Ter lering én vermaak is Lachen om niets. Een absurde filosofie van de mens (Prometheus, € 15,-) waarin filosoof Coen Simon eerst een zeer inspirerend overzicht geeft van wat filosofen zoal over de lach dachten (Descartes meende dat er een vreemd gas uit onze longen ontsnapte) en daar vervolgens nog een royale bloemlezing filosofische teksten aan toevoegt. De leukste verrassing van de Boekenweek.