Een kluns van een preutse nudist

Een jongen die als een bezetene lichtknopjes likt. Een nudist die uit de wc wandelt met een rode kring rond zijn billen. De mens is een belachelijk schepsel. Dat is de boodschap die je krijgt bij het lezen van Naked (1997), een van de verhalenbundels van de Amerikaanse schrijver David Sedaris. Vooral het korte verhaal ‘A Plague of Tics’ kan ik niet in een openbare ruimte lezen zonder vreemd te worden aangekeken. Hierin beschrijft Sedaris hoe hij als kleine jongen, opgroeiend in een Grieks-Amerikaans gezin in North Carolina, van de ene dwangneurose in de andere vervalt. Bij alles wat hij doet moet hij eerst drie keer met zijn schoen op zijn voorhoofd slaan of zijn ogen in zijn oogkassen laten rollen. Totdat hij het roken ontdekt.

Alleen bij de Pink Panther-films kan ik even hulpeloos en slap van het lachen over de bank hangen. Dat komt omdat Sedaris, net als Peter Sellers, begrijpt dat de mens wordt gekweld door de angst om voor aap te staan. Als inspector Clouseau voert Sellers een continue strijd met zijn eigen gebreken. Hij is een kluns maar zal dit nooit erkennen. Dus leunt hij tegen pilaren die omvallen en doet hij alsof er niks is omgevallen. Of glijdt hij uit en doet hij, liggend op de grond, alsof hij niet is gevallen.

Sedaris speelt ook met die ontkenning. In het titelverhaal ‘Naked’ beschrijft hij hoe hij, als preutse Amerikaan, zichzelf dwingt om naar een nudistenkamp te gaan, terwijl hij daar absoluut niet wil zijn. Het gevolg is dat hij zo gewoon mogelijk probeert te doen terwijl hij dat niet kan.

Sedaris wil, net als Clouseau, iemand zijn die hij niet is en dat levert bizarre situaties op die op de lachspieren werken. Bovendien uit hij precies al die genante gedachten die ik zelf ook vaak heb maar meestal niet durf uit te spreken zoals deze: ik loop uit het toilet en mijn rok zit per ongeluk van achteren in mijn panty. En niemand zegt wat. Help! Ik ben belachelijk!

David Sedaris: ‘Naked’. Een vertaling van Irving Pardoen, is verschenen bij Muntinga (€ 8,90).