Een es aan de dijk

Drieëntwintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Iedereen die mijn werk kent, kent Herwijnen. Voor de anderen: Herwijnen ligt ver in de Betuwe aan de Waal. Mijn grootouders, die in 1911 getrouwd waren, hadden er een dijkhuisje.

Er stond een es bij dat huis. Laatst bracht ik die ter sprake bij mijn oom Wim. „Ikke”, zei hij prompt. Híj had die es uit de griend gehaald en aan de dijk gezet. Ome Wim is van 1926, de es van 1935 ongeveer.

Het huis werd verlaten en overgedaan aan het polderdistrict. Het zou worden gesloopt. Het raakte ernstig in verval. Toen, in 1982, kwam Anneke. Ze was 24 en werkte in het bejaardenhuis. Ze kon het huis huren, mits ze zich niet zou verzetten tegen de dijkverzwaring. Ze maakte het eigenhandig weer bewoonbaar.

Het ging haar, zegt ze, minder om het huis dan om de plek, déze plek. Als ze hier eenmaal zat, dacht ze, kregen ze haar nooit meer weg.

Later werden de plannen voor de dijk zo gewijzigd dat het huis kon blijven staan. Maar toen stond er nog steeds een kruis door de es. „Ik ben”, zegt ze, „al die hoorzittingen afgelopen.”

„Terwijl je je nergens mee zou bemoeien”, zeg ik.

Maar dat had betrekking op het huis en over het huis heeft zij het ook nooit gehad, alleen maar over de boom. „Iedereen zat daar met zwaarwegende belangen en dan begon ik weer over die boom. Ik dacht: alles hier is vervangbaar – alles, behalve de es.”

Uiteindelijk werd een constructie bedacht om de boom te sparen. En daar staat hij nu: op een plateautje dat in feite een restant is van de oude dijk – wat hem nog bijzonderder maakt.

In 1996 werden de werkzaamheden uitgevoerd. Toen Anneke zag hoe daarbij met bomen werd omgesprongen, begreep ze dat de hare nog lang niet veilig was. En jawel. Er werd een gleuf gegraven tussen huis en dijk. Daar kwam ze aangereden en daar had de kraanmachinist net met zijn bak een zware tak uit de boom gerukt.

„Die heb je uitgekafferd”, veronderstel ik.

„Ik was razend.”

„En hij?”

„Ze keken me aan: mens, waar maak je je druk om?”

Op hoge toon het polderbestuur gebeld. „En ik moet zeggen”, zegt ze, „dat was op een vrijdagavond en op zaterdagmorgen zat er een boomchirurg in de boom om de wond te verzorgen.”

Hij (de es) heeft een paar moeilijke jaren gehad (zijn wortels waren ook beschadigd). Maar hij heeft zich hersteld, een nieuwe balans gevonden. Nu staat hij daar weer in zijn volle glorie, als een prins in zijn prinsdom.

„’s Zomers”, zegt ze, „hebben we dat heerlijke gefilterde licht in huis, en het wordt nooit te warm op onze slaapkamer. ’s Winters vormt hij van die zware zwarte knoppen... er gebeurt eigenlijk altijd wat in de die boom.”

„En”, zegt ze, „of je nou van de ene kant komt of de andere, altijd zie je die boom. Hij hoort bij het huis, net zoals het dak erbij hoort, en de schoorsteen.”

Kenmerkend voor de es is een open kroon. Hij houdt zijn takken wat stijf omhoog. (Als je door een perceel essenhakhout loopt, aan de Gulp bij Slenaken bij voorbeeld, en de wind gaat door die stijve staken, dan begint het te kletteren, dan is het net of je een geraamte hoort lopen).

Jonge essenstammen hebben een strakke huid met witte lenticellen. Kleur en glans zwemen dan naar olijf (de es behoort ook tot de olijvenfamilie). Later vertoont de schors ribbels die elkaar kruisen en zo een fijn ruitjespatroon vormen.

Sinds 1935 dus. Kijk je langs deze es omhoog, dan besef je dat het een paar jaar moet hebben geduurd voor hij, óver de dijk, zicht kreeg op het weergaloze samenstel van rivier en uiterwaard. In deze gedachtengang is het dan nog maar één stap en je maakt de boom tot toeschouwer – al die tijd, het verkeer op de dijk, het komen en gaan van mensen bij dit huis, je eigen komen en gaan bij dit huis.

Ter vergelijking: er staat sinds jaar en dag ook een lantaarnpaal op deze plek. Maar bij een lantaarnpaal denk je dit soort dingen niet.

Lenticellen – kurkachtige openingen in schil of schors, die lucht doorlaten. Je kunt het gevoel krijgen dat een boom je met zijn lenticellen aankijkt.