Een brug vol kachelromantiek

Geert Mak: De brug. Atlas, 92 blz. Gratis tijdens de Boekenweek bij aankoop van € 11,50 aan boeken

Bernard Bouwman: Mijn Istanbul. Atlas, 318 blz. € 19,90

De brug is een stad in het klein, schrijft Geert Mak. Alle soorten schoeisel stappen erover heen: sportschoenen van toeristen, zwarte molières van obers, zilveren sandaaltjes van paraderende meisjes, slofjes van een carnavalsprinsje, de bruine blote voeten van een lijmsnuiver die warm probeert te blijven.

De brug, het boekenweekgeschenk van Geert Mak, is een onderhoudende mix van geschiedschrijving en reportage over de Galatabrug in Istanbul. Een prachtig idee om juist deze locatie als uitgangspunt te nemen. Niet alleen verbindt deze brug oost en west, Azië en Europa, hij biedt Mak ook de mogelijkheid tot het beoefenen van een ‘kleine sociologie van de brug’. Er is daar een hiërarchie tussen de verschillende handelaren – veelal afkomstig van het arme platteland – die er hun waren aanprijzen: de schoenverkopers, de vissers, de sigarettenjongens, de balletje-balletje-mannen, de boekhandelaar en een lotenverkoopster. Wie kan zich een mobiele telefoon permitteren, wie niet? Wie verdwijnt er vlug als de politie komt controleren op gestolen goederen?

Als Istanbul van Orhan Pamuk het Istanbul is van de middenklasse en de rijken die de Bosporus zien vanachter een raam op de heuvels, dan is De brug van Mak het Istanbul van de armen, die dagelijks de koude zeewind op hun wangen voelen. In In Europa typeerde Mak Istanbul als een ‘arme, razendsnel groeiende derdewereldstad’. In zekere zin is dit Boekenweekgeschenk de uitwerking van dit essayistische idee. Op de brug van Mak waan je je soms in een 19de-eeuws Dickensachtig prentenboek, waar ‘bont goed wappert’, ‘de vuren op plaatstalen kacheltjes gloeien’ en venters, schoenpoetsers, zakkenrollers en een blinde fluitspeler de dienst uitmaken.

Die haardkachelretoriek lijkt soms wat te lief voor een brug waar, zoals Mak opmerkt, ook geroofd en gemoord wordt. Maar die levert wel meeslepende observaties op, zoals deze: ‘De veerponten schuimen en blazen, altijd doen ze alsof ze naar Odessa varen of naar Athene, in plaats van dat kwartiertje naar de overkant.’ Tussen alle mannen staat ook een oudere vrouw te vissen. Via deze vrouw en haar twee zussen, schetst Mak treffend het schipperen tussen traditie en modernisering: zij zien hun dochters vertrekken naar het westen.

De armoede in Istanbul verschilt van die in andere steden, meent Mak. De stad confronteert haar bewoners dagelijks met de puinresten van wat eens beeldschone villa’s waren, en daarmee met het besef dat Istanbul ooit het centrum was van een indrukwekkend Ottomaans imperium. Wie nu arm is, noteert Mak, bezit alleen zijn gekrenkte trots nog.

Bernard Bouwman, correspondent voor deze krant in Turkije, komt in alle hoeken van de stad en bij hem tref je ook de hypermoderne winkelcentra, de intellectuele elite en de nieuwe rijken van Istanbul aan. In Mijn Istanbul bundelde hij zijn stukken over de stad. Ze worden als lemma’s alfabetisch zijn geordend (van ‘Aardbeving’ tot ‘Zeki Müren’). Via een inwoner of een plek komen we meer te weten over een bepaald aspect van de Turkse cultuur. Zo is er een vrouw die ’s nachts alle namen en telefoonnummers van de mobiel van haar echtgenoot kopieert, en ze stuk voor stuk belt tot achter een mannennaam een vrouw schuil blijkt te gaan – hebbes, overspel!; er is een 92-jarige vrouw die terecht staat omdat ze beweerde dat de hoofddoek oorspronkelijk door prostituees werd gebruikt; een homoseksuele ober die altijd glimlacht naar zijn baas omdat de hiërarchische werkverhoudingen en het gebrek aan garantie op nieuw werk dat vereisen.

De lichtvoetige toon en de diversiteit van onderwerpen zijn aantrekkelijk. Bouwman geeft een breed palet van de diversiteit van de stad. Toch levert de a t/m z benadering en de korte lengte van de stukken soms ook een onbevredigd gevoel van willekeur op. De Istanbuli blijven vluchtige passanten die in dienst staan van wat ze journalistiek representeren of wat als entertainment te bieden hebben (de homoseksuele Turk, de overspelige machoman, de vrijgevochten vrouw, de Armeniër).

Het Istanbul van zowel Bouwman als Mak worstelt met corruptie van de overheid, het ontduiken van belasting, bovenal met armoede. Beide boeken eindigen enigszins symbolisch in de mineur. ‘Geef het op’, zegt Bouwmans vriend Arif op de laatste bladzijde van Mijn Istanbul . ‘Wij Turken begrijpen zelf niet meer wie we zijn. Hoe kan jij ons begrijpen?’ ‘Je hebt gelijk,’ beaamt Bouwman. Bij Mak steekt op de laatste bladzijde de wind flink op, de temperatuur komt nog maar nauwelijks boven nul en dikke vlokken sneeuw dekken de stad toe.

De schrijvers somberen, maar zonder paternalistisch te zijn. Beiden houden van stad en inwoners. Bij Mak, de historicus met een hartstocht voor stadsgeschiedenis, is het een vorm van liefde die vervuld is van weemoed (‘zoete vorm van rouw’) als hij wandelt langs de ‘duizend en een details’ die herinneren aan het machtige rijk dat Turkije ooit was. Bij Bouwman, de journalist met de ironiserende blik, is het vooral de liefde voor de contradictie: de stad is jong en oud, rijk en arm, mooi en lelijk, gelovig en seculier, en dat blijft mateloos boeien.

Rectificatie / Gerectificeerd

In de recensie Een brug vol kachelromantiek (9 maart, boekenbijlage pagina 30), over het Boekenweekgeschenk van Geert Mak, en in de rubriek Kunst van de Week (10 maart, pagina 7) staat dat de Galatabrug in Istanbul Europa en Azië verbindt. Dat is niet correct. De brug bevindt zich in het Europese deel van de stad.