Durf niet te weten!

Niets zo vergankelijk als humor; niets pijnlijker dan grappen van gisteren. De grap die niet begrepen wordt, is een verloren grap. De mop die moet worden verklaard, is geen mop meer. Satire die voetnoten nodig heeft, houdt op satirisch te zijn. Humor leeft in het moment.

Nostalgie naar hun lachkramp van vroeger doet mensen besluiten een complete dvd-cassette van oude televisiehumor te bestellen. Het eindigt in schaamte: hoe heb ik dit ooit leuk kunnen vinden? Wat je vroeger leuk vond of zelfs hilarisch, laat je nu onberoerd – wat zegt dat over jezelf? Met de meeste komische boeken is het al net zo, vooral met de boeken die in hun tijd iedereen grappig vond. Klassiekers ontkomen niet. Tijdens het literaire festival Winternachten vorige maand boog een groep schrijvers zich over Gulliver’s Travels, de meest satirische van alle romans; er moest een anglist aan te pas komen om duidelijk te maken hoe scherp en genadeloos Swift eigenlijk was – in zijn tijd. Humor is niet bestand tegen uitleg. En humor die nu actueel wil zijn, moet morgen worden uitgelegd.

Humor is het thema van de boekenweek, en nu al weet je zeker dat heel veel niet leuk zal zijn. Nederlandse uitgevers struikelen over elkaar om de markt te verzadigen met boeken en boekjes die rechtstreeks of indirect, of volkomen krampachtig, aansluiten op de Hollandse lach. Lemmingengedrag: wat populair is, wordt meteen oververzadigd. Was ik uitgever, zou ik in de aanloop van de boekenweek boeken uitgeven over het thema van vorig jaar – die markt ligt immers weer helemaal open.

‘Lof der zotheid’ – het thema van de Boekenweek verwijst naar de klassieker van Erasmus uit 1511, een van die satirische boeken die iedereen kent en niemand gelezen heeft. Ik vraag me af of dat de komende tien dagen zal veranderen, want pleitbezorgers van Erasmus plaatsen zijn satire heel erg in zijn tijd. De recentste vertaler uit het oorspronkelijke Latijn, Harm-Jan van Dam, schrijft omineus: ‘Erasmus schreef zijn Lof in eerste instantie voor een beperkte kring geleerde vrienden, die niet alleen allerlei persoonlijke toespelingen begrepen die voor ons verloren zijn gegaan, maar ook, net als zijn grotere lezerspubliek van toen, citaten, verwijzingen en toespelingen op antieke Griekse en Latijnse bronnen herkenden – en als een bijdrage aan het leesplezier beschouwden.’ Als dat niet afschrikt – en er is meer, want de vertaler benadrukt ook nog eens een vervelende eigenschap bij Erasmus, namelijk dat hij nooit het achterste van zijn tong laat zien. Als het de Dwaasheid is, die in dit boekje het woord voert, moeten we dan alles omdraaien wat zij zegt, ook als de Dwaasheid het idiote gedrag van gelovigen aan de kaak stelt en de absurditeit van aflaten om je zonden af te kopen?

Het klinkt allemaal erg als cabaret van gisteren – dat zal de reden zijn dat ik me talloze keren voornam Lof der zotheid te lezen en er toch nooit aan begon. Waar een Boekenweek niet goed voor is: tot mijn verbazing blijkt Lof der zotheid een pijnlijk scherpe satire. Zeker, er zitten honderden citaten en verwijzingen in, maar die worden moeiteloos opgenomen in de stroom van het betoog van de Dwaasheid.

Het boek begint met een vrolijk pleidooi voor onwetendheid en zelfbedrog; mensen die streven naar kennis zijn eigenlijk slechter af dan mensen die het leven onbewust aan zich voorbij laten gaan. Intelligentie maakt de wereld niet per se beter, domheid kan ook goed doen – het was tenslotte Ronald Reagan die een einde maakte aan de Koude Oorlog. Daarbij kan zelfkennis een mens behoorlijk ongelukkig maken, terwijl verdwaasde eigendunk je een zalig besef van welzijn kan bezorgen. Dit is de boodschap van Erasmus aan oude vrouwen die zichzelf stug ‘meisjes’ blijven noemen, meisjes die heel erg ‘stout’ kunnen zijn. ‘Het is nog veel geestiger om te zien hoe oude vrouwen die allang afgetakeld en dood zijn, en eruitzien als een lijk dat uit de onderwereld is teruggekomen, toch steeds maar kreunen: dag licht, nog steeds loops zijn, of zoals de Grieken zeggen tochtig, voor veel geld een jonge god in het strijdperk laten treden, steeds maar hun gezicht opmaken, de spiegel geen moment met rust laten, het oerwoud tussen hun benen wieden, met hun verschrompelde hangtieten pronken, met hun kakelend gekir de verslapte lusten proberen te prikkelen, zuipen, meedansen met de jonge meisjes, liefdesbriefjes schrijven.’ Erasmus meets Sex and the City. Maar de Dwaasheid prijst juist zulke blindheid, want zonder zouden deze ‘meisjes’ zichzelf allang verhangen hebben.

Gaandeweg schuift de Dwaasheid op naar een ander, nabijliggend doelwit: zoveel wat wij redelijk en logisch vinden, blijkt precies het tegenovergestelde te zijn. Ook dat is volgens haar een goede zaak. De Dwaasheid stelt vast dat vleierij de stroop en de kruiderij van alle menselijke verkeer is. ‘Maar het is erg om misleid te worden, zal men zeggen. Integendeel, niet misleid worden is veel erger: wie denkt dat het geluk van de mens bepaald wordt door feiten is gek. Het hangt af van inbeeldingen.’

Er is niets onhelder of tegenstrijdig aan de satire van Erasmus. Zijn Dwaasheid is een advocate van de duivel; Lof der Zotheid is verlichtingskritiek voor de Verlichting. Durf niet te weten: de Rotterdamse humanist rekent af met de aanspraken van het verstand, de notie dat het streven naar kennis de mensheid zal redden – en anderzijds dat zoveel wat wij voor verstandig en redelijk houden, dat bij nader inzien helemaal niet is. De mens is bij uitstek een onredelijk wezen, ook, of juist, wanneer hij zichzelf voor het verstandigst houdt. Hij is dom en dwaas, en de rede zal hem niet vrij maken.

Daar is niets achterhaald of oudbakken aan, de meeste hedendaagse satirische schrijvers of cabaretiers komen niet zover. Laat die stapels Hollandse humor. Lees Lof der zotheid.

Erasmus: ‘Lof der Zotheid’. Uit het Latijn vertaald door Harm-Jan van Dam, met illustraties van o.a. Peter de Wit en Windig & De Jong. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 183 blz. € 14,95.