Dingen voor woorden

Er is een theorie die zegt dat gedachten zich niet in woorden afspelen in de hoofden van de mensen, en ook niet in beelden, maar in iets anders, waar dan weer woorden of beelden van gemaakt worden. Want ook mensen die niet kunnen spreken hebben gedachten.

En mensen kunnen ook spreken zonder woorden. Gebarentaal is bijvoorbeeld een taal zonder woorden, maar wel de natuurlijke uitdrukkingswijze voor doven. Veel gedachten spelen zich op een non-verbaal niveau af. We onthouden van veel mededelingen vaak wel de teneur, maar zelden de precieze bewoordingen. En als je een taal leert heb je vaak het idee dat de woorden nooit precies uitdrukken wat je ermee zou willen uitdrukken.

Dat is waarschijnlijk wat er steekt achter Goethes adagium ‘Zo gauw men spreekt, begint men te liegen’. Omdat er wel woorden voor dingen zijn, maar geen dingen voor woorden, volgens Albertus Magnus, de leermeester van Thomas van Aquino. De taal heeft zijn grenzen. Om het met de Bee Gees te zeggen: It’s only words ...

Iemand die ook voortdurend tegen de grenzen van de taal op liep was Wittgenstein. Voor hem toonde de betekenis van een woord zich in het gebruik en die betekenis was nooit één op één. Het was een wolk van niet-weten, tasten in het halfduister: ik doe alsof ik jou snap en dan doe jij of je mij snapt.

We zijn altijd met onze zeer beperkte woordenschat de omringende werkelijkheid in mallen aan het duwen waar die niet in past. Met andere woorden: we zijn voortdurend aan het vertalen, we lopen voortdurend tegen vertaalproblemen op. Hoe zeg je wat je voelt? En geven mijn woorden dat wel goed weer? Ja, zegt deze bewuste theorie: vertalen is de oerbezigheid van de mens. Vanuit het zogeheten mentalese, oftewel in goed Nederlands de ‘mentaal’, de taal waarin de gedachten in het hoofd spreken, in de taal der woorden die dienen ter communicatie met jezelf en met anderen. We denken niet in taal, dus spreken, schrijven, gebaren en ook lezen is al vertalen.

De mens is het dier dat vertaalt, zoals Geert Lernout van de Antwerpse universiteit onlangs opmerkte op de Achtste Landelijke Vertaaldagen in Utrecht. Weliswaar stond het congres in het teken van de humor, maar we hadden de indruk dat hij het meende. Dat het een hartekreet was.

Op de Vertaaldagen werd ook bekend gemaakt dat vijftig procent van de literatuur in Nederland en Vlaanderen vertaalde literatuur is, tegen zo’n vijf procent in Groot-Brittannië en Amerika. Uit deze feiten – dat we de vertaaldaad als een van de oudste activiteiten van de mens kunnen beschouwen en dat hier zoveel vertaalde literatuur op de markt is – blijkt wel dat vertalen meer is dan een noodzakelijk kwaad voor mensen die een vreemde taal niet machtig zijn. Wij zijn immers allen Vertalianen.

Ga in discussie met Henkes en Bindervoet op hun weblog: www.nrc.nl/vertalie