De meest hulpeloze taal die er is

Kees Fens: Op weg naar het schavot. Stichting CPNB, 64 blz. € 2,50

Veel meer dan een essay is het Boekenweekessay van Kees Fens (1929) een leesgidsje. De P.C. Hooftprijswinnaar van 1990 leidt zijn lezers in Op weg naar het schavot naar de plaatsen waar iets te lachen valt in de letteren. Hij begint met eigen helden als Carmiggelt, Alberts, Elsschot, Koolhaas en Reve. Een handvol cabaretiers passeert de revue, waarbij Fens de grote solovoorstellingen van Freek de Jonge even terecht als onmodieus op een voetstuk plaatst: ‘Ik had in geen tijden met zo veel tegenzin zo hard gelachen […] De Jonge heeft verwoestend gewerkt op wie hem voorgingen en na hem kwamen. Terecht. Je moet heel groot zijn om na Lucebert een gedicht te gaan schrijven.’ Na Nijhoff een gedicht schrijven is veel beter mogelijk, toont Fens aan als hij Komrijs pastiche van ‘Moeder de vrouw’ aanhaalt: ‘Er was veel rommel op de brug te zien.’

Fens is niet vies van cabaret, maar de Stichting CPNB zal hem ongetwijfeld voor het boekje gevraagd hebben om de te verwachten dominantie van lichte, cabareteske humor in de Boekenweek een beetje tegenwicht te bieden. Dat werkt, want Op weg naar het schavot wijst nog maar weer eens op Henriëtte van Eyk, De Schoolmeester en Dèr Mouw, al lijkt de emeritus hoogleraar zich zo bewust van zijn educatieve missie dat hij het adjectief ‘grote’ te pas en te onpas voor de auteursnamen plakt.

Als vingerwijzing voor zoekende lezers is het boekje dus geslaagd. Jammer is wel dat de essayist Kees Fens niet echt uit de verf komt. Dat ligt niet aan de aanzetjes, want hier en daar lijkt er een essay te beginnen. Bijvoorbeeld wanneer Fens schrijft over de vermeende humorloosheid van de muziek. Of wanneer hij gereserveerd is over de onder hoog opgeleide lachers doorgaans geliefde ironie: die ‘is niet zonder ijdele trekken [...] Ik vermoed dat onder de wasmaniakken veel ironici zijn.’

Echt goed op dreef is de katholiek opgevoede Fens wanneer hij de vaak verkeerd begrepen religiositeit van Gerard Reve verbindt met diens humor. Over de drie-eenheid Reve, God en humor schrijft hij: ‘Hij kwam in conflict met de twee grote absoluutheden: de dood en God. Om zichzelf te redden en niet aan angst en ontzag ten onder te gaan, beschreef hij de eeuwige in de meest hulpeloze taal die er is: de humor.’

Dat is het soort prikkelende gedachten waar een goede essayist nog pagina’s lang op door zou kunnen gaan, op door zou moeten gaan.