De goedgemutste condoom

In 1977 debuteerde Lévi Weemoedt met ‘Geduldig lijden’. Dertig jaar later is hij nog even neoromantisch.

Lévi Weemoedt: Vanaf de dag dat ik mensen zag. Verzamelde gedichten. Nijgh & Van Ditmar. 272 blz. €19,90

‘De hond ligt zachtjes snikkend in zijn mand’. Zo begint een gedicht van Lévi Weemoedt. Een hond kan niet huilen, dus dan weten we het eigenlijk al: het is niet het beestje dat zachtjes snikt, maar degene die hem ziet liggen. Wie zou dat zijn? De tweede regel vertelt het ons al: ‘Droef peinst zijn baasje bij een glas genever.’ Droefheid, drinken en doorzichtige jenever roepen opnieuw de gedachte aan tranen en zacht gesnik op. De beelden van de twee regels lopen in elkaar over: de hond ligt erbij als een ongelukkige dichter, en zijn baasje als een geslagen hond. Een mooi koppel.

Er zit, dat voelt iedereen wel aan, de nodige overdrijving in de beschrijving, en ook de nodige ironie. En bewuste ouderwetsigheid. De woorden ‘droef’ en ‘peinzen’ zijn net wat plechtstatiger dan gemiddeld, en dat geldt ook voor dat glas ‘genever’, nog met een oude g geschreven. In de daaropvolgende regels rijst het traditionele beeld op van een eenzame student, of een ongelukkige boekenwurm, die hoort hoe de mensen buiten vrolijk zijn. ‘Op straat waaien geluiden van een feest: / een schrille lach; er valt een glas aan scherven.’ Daar hebben hond en dichter geen deel aan. ‘Maar binnen zingt het wenen van het beest / en zit zijn baas al uren te versterven.’ Opnieuw een wat ouwelijke woordkeus (‘wenen’, ‘versterven’) en opnieuw enige overdrijving, zodat de lezer op afstand blijft, en hooguit wat grinnikt om het geval. Het is me wat, zo’n huilende hond.

Als er al gevoel in het spel is, dan laat de studentikoze toonzetting daar geen ruimte voor. ‘Ik wed nu dat geen sterveling ooit raadt / wíe nu die twee zo bitter treuren laat.’ Het klinkt weer een beetje slordig (twee keer ‘nu’) en weer een beetje cliché (‘bitter treuren’) en ook weer een beetje lacherig, alsof het om een quizvraag gaat. Zou geen sterveling kunnen raden waarom het baasje en zijn hond zo droevig zijn? Ik wed dat iedere sterveling nu denkt dat zij wenen omdat onlangs het bazinnetje is verdwenen. Het aardige is dat deze voorspelbare afloop achterwege blijft. De dichter gaat juist serieus in op de kwestie van het raden: ‘Maar stuur tóch in: wat aanspraak doet ons goed. / Wij zien uw brief vol wanhoop tegemoet.’ Zo wordt het allemaal nog extra onhandig: in al je eenzaamheid verlangen naar brieven, en tegelijk bevreesd zijn voor de inhoud van die brieven.

Wat nu van zo’n gedicht te vinden? Ik werd er vooral wat ongemakkelijk van. Echt grappig is het niet, echt treurig evenmin. Niet aanstekelijk, niet ontroerend, niet oprecht, maar ook weer niet onaardig. Het is een beetje van alles, maar lijkt nog het meest op een genrestukje: de studentikoze grap op rijm. Het heette ‘Gedeelde smart’, met de ironische suggestie van halve smart, mooi verdeeld tussen hond en baas. Het was ooit, in november 1977, het tweede gedicht in de debuutbundel van Lévi Weemoedt: Geduldig lijden. Ook al weer zo’n veelzeggende titel, ook weer ironisch bedoeld, maar niet helemaal. En wat te denken van het pseudoniem Weemoedt, met dt nog wel. Daarmee gaf de dichter (die in werkelijkheid Isaäck van Wijk heet, geboren 1948) te kennen zich thuis te voelen in de 19de eeuw van Piet Paaltjens, beroemd geworden met zijn Snikken en grimlachjes (1867).

Weemoedts bundel was een groot succes en moest al snel herdrukt worden, zelfs keer op keer. Dat gold ook voor de bundels Geen bloemen (1978) en Zand erover (1981), alle drie volgens hetzelfde stramien en in dezelfde toonsoort: traditionele versvorm, plechtstatige taal, ironie, zelfspot, overdrijving, contrast tussen verheven en alledaags, humoristische buitenkant ter maskering van een gevoelige en zwaarmoedige binnenkant. Men sprak ook wel van neoromantiek. Het werd al gauw ook wel een beetje veel van hetzelfde, zodat Vic van de Reijt in 1982, in een recensie van Weemoedts eerste verzamelbundel, kon opmerken: ‘Weemoedt had het bij één bundeltje Geduldig lijden moeten laten. Of beter nog: hij had uit zijn verzamelbundel een zeer strenge selectie [...] moeten publiceren, zo’n negentien gedichten in totaal’ – net als Piet Paaltjens. En eigenlijk had hij toen ook al, net als zijn 19de-eeuwse voorbeeld, jong ‘en niet geheel onverwacht’ gestorven moeten zijn – dat was voor zijn onsterfelijkheid nog beter geweest, gekscheerde Van de Reijt.

Maar de tijden veranderen. Lévi Weemoedt schreef na 1982 niet veel gedichten meer, maar vooral korte verhalen. Intussen werd Van de Reijt uitgever en in die functie heeft hij nu, 25 jaar later, de voormalige sterdichter aangemoedigd een nieuwe editie van zijn gedichten samen te stellen en daarbij juist niet al te streng te zijn. Het resultaat: ruim 250 bladzijden poëzie, voor het grootste deel meer dan 25 jaar oud, onder de titel Vanaf de dag dat ik mensen zag.

De poëzie van Weemoedt paste goed bij de dichterlijke tijdgeest van de late jaren zeventig, maar hoe zou de tijdgeest van het begin van de 21ste eeuw ernaar kijken? Op het omslag staat een van de gedichten in handschrift afgedrukt, dus dat zal wel een van de betere zijn. Vic van de Reijt nam het op in alle drukken van zijn nonsens- en plezierdichtersbloemlezing Ik wou dat ik twee hondjes was (1982). Het heet ‘Dakkapel’ (zie kader).

Ik heb er lang naar gekeken, maar er nog niet echt om kunnen lachen. Mis ik ergens een clou? Is er een toespeling, bijvoorbeeld in het woord kapel in de titel en dat kruis aan het eind? Wat is hier grappig aan, behalve dan de tragikomische grap dat iemand hoort hoe er meewarig over hem wordt gesproken en dat hij dat nu, zonder gêne, aan ons doorvertelt?

Al net zo stijfjes zit ik erbij als ik ‘Vlaardings roem’ lees, een andere Weemoedt-klassieker. Daarin zit de dichter ’s avonds aan het water, de Maas bij Vlaardingen, en hij ziet daar geen enkel schip voorbijkomen, en ook niets anders: ‘Geen haringbuis, geen kotter en geen botter, / geen logger en geen stoomfiets, ach, geen fluit / zag ik vanavond op de stroom.’ Dat kan gebeuren. En dan is dit het besluit: ‘’k Zat aan de Doodsrivier. Slechts een condoom / dreef goedgemutst het zeegat uit.’ Ik zie nog steeds niet goed wat hier nu zo sterk aan is. Wrang contrast tussen de verdwenen scheepsindustrie en de nog volop aanwezige seksuele driften in het Vlaardingse? Ik verzin maar eens wat. Alle mensen hebben seksueel plezier, en zijn dus goedgemutst, behalve de dichter? Die kijkt maar eenzaam uit over zijn rivier en beeldt zich in dat het de Doodsrivier is, en wacht intussen sullig op leuke bootjes die niet komen. Zou dat voor ons de lol moeten zijn? Dan zou het opnieuw, net als bij die dakkapel, om leedvermaak gaan.

Niet iedereen lacht om dezelfde dingen, dat is nu eenmaal zo. Neem de oeroude woordspeling, waar je ook maar net gevoel voor moet hebben. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo: ‘Ik zag / een cursus / ‘stop met roken’. // Ik heb / er veel / van opgestoken.’ Of: ‘O, ’t was / zoals mijn Moeder / het voorzag: // ik groeide op / voor galg / en Riagg.’ Nog zo een: ‘au fondue’ in plaats van ‘au fond’. ‘Down Jones’ in plaats van ‘Dow Jones’. En dan dus geen ‘put-opties’, maar ‘in-de-put-opties’. Dat kan Seth Gaaikema beter.

Daar staan woordgrappen tegenover waarbij ik meteen wél in de lach schiet, maar iemand anders misschien weer niet. Duits op wintersport: ‘Hals- und Beinbruch, Alpenkreuzer! / Servus! Bergheil! Wiedersehn! / Tschüss! Grüss Gott! Auf Wienerschnitzel! // Danke schön. Auf Winterpehn!’ Of deze limerick, die meteen alle andere melige limericks overbodig maakt: ‘Er was eens een kikker in Ommen / (Kan het ú ene klote verdommen?!)’ Ook heel mooi vind ik Weemoedts korte gedicht ‘Asyl’. De thematiek is bekend, maar de uitwerking verrast. Langzaam lezen:

Veel honden hebben baasjes,

veel mannen wel een vrouw.

Ik heb alleen maar niemand

waar ik zoveel van hou.

Dan zit er tussen de wat melige en flauwe versjes soms opeens een aforisme, dat er op het eerste gezicht ook wat melig en flauw uitziet, maar bij nader inzien toch waar blijkt te zijn. Het heet de ‘Wet van Weemoedt’: ‘Hoe vlakker / het bestaan // hoe meer / mountainbikes / er de deur uit gaan.’ Of, al even terloops, een stemmig zelfportret, zonder ongein, waarin Weemoedt vertelt hoe hij in zijn depressieve perioden de dagen doorbrengt – in één groot niets.

Behalve in het heel korte vers blijkt Weemoedt ook te kunnen excelleren in het langere werk, zoals in de Dorrestijniaanse serie ‘Tips voor alleenstaanden’. Daarin krijgt de eenzame flatbewoner de raad om een houten bord om zijn nek te hangen en daarop ‘duidelijk en kort’ de eigen naam te vermelden. Dat is natuurlijk een heel handige tip voor de wat teruggetrokken levende flatbewoner die contact wil maken. De goede Weemoedt doet er ook nog eens gratis een rijmvoorstel bij, voor op het houten nekbord: ‘Ik heet Fred, / ik woon al acht jaar in uw flat!’

Het lijkt mij uiteindelijk allemaal een kwestie van smaak. Over humor valt nauwelijks te discussiëren. Van sommige gedichten meen ik heel goed te begrijpen waarom Weemoedt ze wel, of juist niet, opnam in zijn verzamelde gedichten – en van andere weer niet. Waarom mocht ‘Prinsje Carnaval 1981’ niet mee, uit de bundel Zand erover? Het is de dialoog tussen een moeder en haar zoontje dat tijdens carnaval verwekt werd door een heel leuke vader:

‘Ach moesjelief: wie was nou vader?’,

vroeg ’t ventje in zijn schoon hansop:

‘Was het die met dat varkensmasker?’

‘Nee, hij had een fluitketel op..!’

Misschien dacht Weemoedt dat het gedicht te gedateerd was. Voor een goed begrip van de tekst dient de lezer te weten dat de fluitketeldracht een verwijzing was naar de tv-figuur Flip Fluitketel, van André van Duin. Flip droeg altijd een fluitketel op zijn hoofd. Tijdens het carnaval van 1981 was zijn carnavalslied ‘Flip Fluitketel’ erg populair. Als het ventje in zijn schone hansop zijn vader wil vinden, zal hij nog lang moeten zoeken, want in 1981 droegen bijna alle mannelijke carnavalsgangers een fluitketel op hun hoofd. Je hoort hem nu nog steeds verzuchten: was hij toch maar die ene, die ene met die varkenskop.