De fluistermop was een fabeltje

Ook te midden van de naziverschrikkingen werden grappen gemaakt. Er bestond zelfs zoiets als joodse holocausthumor.

Rudolph Herzog: Heil Hitler, das Schwein ist Tot! Lachen unter Hitler – Komik und Humor im Dritten Reich. Eichborn Berlin, 267 blz. € 19,90

Hitler een menselijk gezicht geven in een serieuze film, dat mag tegenwoordig in Duitsland, getuige het succes van het imposante bunkerdrama Der Untergang (2004). Maar Hitler humaniseren in een komedie, gaat de meeste Duitsers nog steeds te ver. Dat heeft de Zwitserse en joodse regisseur Daniel Levy gemerkt. In zijn film Mein Führer krijgt een depressieve Hitler (gespeeld door de komiek Helge Schneider) eind 1944 acteerlessen van een werkloze, joodse acteercoach. De Führer is onder meer te zien terwijl hij in bad aan het spelen is met een oorlogsbootje, en bij de kapper die per ongeluk de helft van zijn snorretje afsnijdt. De critici konden er niet om lachen en maakten gehakt van de film. Uit een opiniepeiling bleek ook dat 56 procent van de Duitsers de Hitlerpersiflage ongepast vindt, al hadden de meeste ondervraagden de film zelf niet gezien.

‘De film laat Hitler als mens zien. Dat schijnt nog steeds een probleem te zijn’, zei Levy na alle ophef en kritiek. Maar dat geldt dan alleen voor een komedie en niet voor drama. Daarbij speelt meer mee dan de tot vervelens toe herhaalde constatering dat Duitsers geen gevoel voor humor hebben, of dat Mein Führer gewoon geen goede film is. De schaal en de aard van de misdaden van het naziregime, lijken geslaagde grappen bij voorbaat onmogelijk te maken. Het is geen toeval, schrijft de journalist Rudolph Herzog in Heil Hitler, das Schwein ist Tot!, een studie over humor tijdens het Derde Rijk, dat de twee films die algemeen worden gezien als komische meesterwerken over het nazi-regime, gemaakt zijn voordat de volle omvang en de aard van de misdaden bekend konden zijn. Dat zijn The Great Dictator van Charlie Chaplin (1940) en het minder bekende To Be Or Not To Be (1942) van Ernst Lubitsch, over een groep acteurs die een toneelstuk opvoert in bezet Polen. Chaplin heeft later verklaard dat hij zijn Hitlerfilm niet zou hebben gemaakt als hij had geweten wat de wereld nog te wachten stond.

Glazen oog

Toch is die constatering niet helemaal juist. Ook te midden van de verschrikkingen werden grappen gemaakt, soms hele goede. Er bestond zelfs zoiets als joodse holocausthumor, Herzog wijdt er in zijn boek een kort hoofdstuk aan. Deze grap bijvoorbeeld, die stamt uit de tijd van de massale executies van joden in Oost-Europa: een groep joden staat voor een Duits vuurpeloton, de commandant stapt op een van hen af, en zegt: ‘Ik wil u een kans geven. Ik heb een glazen oog, maar dat is moeilijk te zien. Als u meteen goed raadt welk oog het is, zal ik u niet terechtstellen.’ Waarop de man onmiddellijk antwoordt: ‘Het linker, dat heeft zo’n warme uitstraling.’

Dit is een van de weinige grappen in het boek van Herzog die nog steeds werken. Vaak moet hij uitleggen dat een grap inderdaad als grap is bedoeld, zo lastig is dat meer dan zestig jaar na dato nog vast te stellen. Humor uit het Derde Rijk die nog steeds een grimlach veroorzaakt, is hard en rauw; zwarte humor uit een zwarte tijd. Dat wil niet zeggen dat het om politieke humor gaat. Veel grappen die de revue passeren zijn apolitiek, of soms zelfs als pro-Hitler te interpreteren. Waarschijnlijk getuigt het van slechte smaak, maar sommige foute grappen die in Duitsland de ronde deden over de homoseksualiteit van Ernst Röhm, de SA-leider die door Hitler werd vermoord, zijn niet slecht. Over Röhm werden grappen gemaakt zoals: ‘Nu begrijp ik waarom Röhm steeds verklaarde: in elk lid van de Hitlerjugend zit een leider van de SA.’

Herzog behandelt de lotgevallen van professionele komieken en acteurs in nazi-Duitsland, en ook het anti-nazicabaret in het buitenland, zoals de beroemde Pfeffermühle van Erika Mann in Zürich, dat voor diplomatieke spanningen zorgde tussen Duitsland en Zwitserland. Maar het meest interessant is de analyse van de grappen die op straat en in het café werden gemaakt in het Derde Rijk. Een deel van die grappen is na de oorlog opgetekend in zogeheten ‘Flüsterwitzsammlungen’; bundelingen van grappen die je onder het naziregime alleen tegen elkaar kon fluisteren, wilde je niet in de gevangenis of voor het executiepeloton belanden. Herzog concludeert dat het overgrote deel van de overgeleverde humor geen werkelijke kritiek op het regime bevatte, maar ging over menselijke zwakheden van de nazileiders, zoals de hang naar luxe en de ijdelheid van de populaire Herman Göring, de tweede man van het Rijk. De harde grappen over Dachau laten zien dat veel Duitsers heel goed wisten welke gruwelijkheden er vanaf 1933 in de eerste concentratiekampen plaatsvonden. De pro-Hitlerhumor, die er vanzelfsprekend ook was, werd na 1945 gemakshalve vergeten, en belandde niet in de verzamelingen.

Meetlat

Herzog legt in zijn humorgeschiedenis zijn landgenoten voortdurend langs een moralistische meetlat. Dat wordt al snel voorspelbaar. De pijnlijkste vraag gaat hij bovendien uit de weg: hadden de nazi’s gevoel voor humor? Het is verleidelijk om al bij voorbaat te concluderen van niet en gevoel voor humor voor te behouden aan de slachtoffers en de good guys. Maar is dat terecht? Stalin kon tijdens drinkgelagen in het Kremlin een aardige mop tappen. Hoe zat dat met de nazileiders? Daar had Herzog eigenlijk niet omheen mogen gaan in een studie over humor in het Derde Rijk, maar hij beperkt zich tot de wanstaltige antisemitische karikaturen in het rabiate tijdschrift Der Stürmer.

Toegegeven, vermoedelijk zal een studie naar de humor van de nazi’s geen vreselijk dik boek opleveren. Propagandaminister Goebbels beschouwde de politieke grap als een ‘overblijfsel uit het tijdperk van het liberalisme’ en noteerde in zijn dagboek: ‘De politieke Witz zal worden uitgeroeid en wel met wortel en tak.’ Hij schreef dat in de directe aanloop naar de oorlog, toen komieken en cabaretiers te maken kregen met een waar ‘antihumoroffensief’, omdat de natie moest worden voorbereid op de strijd. Maar zelfs in nazi-Duitsland reikte de lange arm van de staat niet zover, dat je op straat of in het café geen grap kon maken over politieke leiders. De ‘Flüsterwitz’ en ook de ‘sichere Witz’ – de mop die je zeker in een concentratiekamp kon doen belanden – verwijst Herzog naar het rijk der fabelen. Pas in de laatste fase van de oorlog, en dan nog alleen incidenteel, zijn er daadwerkelijk draconische straffen opgelegd voor het maken van een kritische grap over het regime. De meest voorkomende veroordeling was ook toen een gevangenisstraf van maximaal vijf maanden. Alcoholgebruik werd door rechters vaak als een verzachtende omstandigheid geaccepteerd. Serieuze kritiek op de autoriteiten, dat was pas echt gevaarlijk.