Beste Eline,

Wat prettig om je eindelijk eens te kunnen schrijven. Ik ken jou en je familie al zo lang, dat ik het gevoel heb dat jullie ook mijn familie zijn, de ‘Haagse tak’. De eerste keer dat ik met je kennismaakte was rond mijn vijftiende. Ik vond je mooi en interessant en leefde met je mee op al je soirées en bals. En wat had je veel familie, zoveel neven en nichten, die elkaar allemaal kenden en bij elkaar over de vloer kwamen. Dat jij je druk maakte om een operazanger en probeerde hem ‘toevallig’te ontmoeten, snapte ik toen nog niet. Het einde van je verhaal begreep ik nog minder. Wat deed je moeilijk, waarom was je zo ongelukkig? [...]

Ik herlas je verhaal elke zomervakantie wel een keer, maar pas toen ik zelf verliefd was geweest, vielen er puzzelstukjes op hun plaats. Natuurlijk ging je elke dag wandelen om ‘hem’ te ontmoeten, dat was logisch inmiddels. Maar jouw gedrag bleef vreemd, die apathie, die nervositeit en het niet gelukkig willen worden. [...]

Nog later, ouder en wijzer geworden, kon ik me in jou inleven. Wat een tragiek, dat keurslijf van zo’n keurige Haagse familie. Ik was niet meer jaloers op je, integendeel, ik kreeg medelijden met je. Leefde je maar nu, dan kon je in therapie met antidepressiva en daarna een leuke baan nemen, als interior decorator bijvoorbeeld? Jouw smaak is nu weer helemaal en vogue.

Een groet van verre,

Renée Citroen