Wat je op een markt denkt aan te treffen – eten – vind je er amper

Toen ik een tijdje geleden over de Dappermarkt in Amsterdam liep, vlakbij mijn huis, zag ik een reusachtig spandoek met daarop de woorden ‘Beste markt van Nederland’. Ik schrok me dood. Wat zou dit betekenen voor de andere markten in Nederland? Waren die nog slechter dan de Dappermarkt?

Als je een depressie zou verbeelden in een markt, krijg je wat mij betreft de Dappermarkt. Wat je op een markt denkt aan te treffen – eten – vind je er amper. Je komt alleen maar koopwaar tegen waar je niets mee te maken wilt hebben: vazen in de vorm van een dwerg, nylon lakens, plastic SM-pakjes en koekenpannen van verdacht allooi. Bovendien wordt de Dappermarkt omgeven door nare winkels met lelijke meubels, met op de ramen onaantrekkelijke teksten als ‘We moeten leeg’ en ‘We gaan echt weg’. Tel hierbij een enorme reigerbevolking, een verzameling eikenhouten cafés en de marktbezoekers zelf, een drom vrouwen met zure gezichten die met plastic afgedekte buggy’s voor zich uit duwen, en je hebt een goed beeld van de Dappermarkt.

Deze markt is uitgeroepen tot beste markt van Nederland. Toen ik gisteren bij de ‘festiviteiten’ (de aanhalingstekens begrijpt u zo meteen) ging kijken, hoorde ik dat het de beste markt is, omdat hij zo multicultureel is. Dat is waar: er lopen veel Turken en Marokkanen rond. Maar ja, die wonen in de Dapperbuurt; logisch dat zij er komen.

De feestelijkheden waren geheel in de stijl van de Dappermarkt. Dat vond ik dan wel weer consequent. Een meute shag rokende marktgangers had zich om een podium verzameld, waarop de ene volkszanger na de andere You’ll Never Walk Alone zong. Af en toe ging er een confettimachine aan die de hele markt bedolf onder gouden papiertjes.

De enige verademing was Job Cohen, die goeiig een rondje liep en een zak noten kocht bij een van de weinige allochtone marktkoopmannen. Dat vond een Nederlandse marktkoopman verderop (die van de nylon lakens) duidelijk vervelend, en hij riep heel hard naar Cohen: ‘We hebben ze ook zónder schimmel!’ Dat zou de leus van de Dappermarkt moeten zijn, dacht ik, en nam me voor om er nu weer tien jaar niet te komen.