Voedsel voor lijmsnuivertjes

Cas van Kleef (18) reist voor Spunk de wereld rond, door Afrika en Azië. Hij krijgt vijftig euro per dag en moet daarmee niet alleen zichzelf maar ook mensen in zijn directe omgeving redden.

„Kindertjes in Afrika zouden er blij mee zijn!” Deze zin deed me nooit diepzinnig nadenken over mijn leventje bij een nog niet leeg bord, maar leverde vooral irritatie op. Ik had geen zin in eten, waarom moest er dan over Afrikanen gepraat worden? Ik kwam daar nooit. Nu ben ik er wel en kan ik kijken of mijn ouders gelijk hadden. Zijn kinderen in Afrika echt blij met mijn eten? Ongeveer een derde van de Afrikanen is ondervoed. Dat betekent niet dat ze liggen te creperen van de honger, maar dat ze minder voedsel binnenkrijgen dan gezond is. Vandaag ga ik hongerige Afrikanen helpen. Eén op de drie: ze kunnen niet ver weg zijn.

Reisgenoot Jan en ik beginnen op de lokale markt uitdeelvoedsel te kopen. Ik besluit dat ze alleen maar vegetarisch mogen eten (twee wereldverbetervliegen in één klap), dus geen vissenkoppen en levende kippen. Na een uurtje onderhandelen komen we naar buiten met zeven tomaten, een tros minibanaantjes, een paar zakjes pinda’s, tien mango’s, een paar wortels, vijf komkommers en tien peren voor het bedrag van drie euro.

Eten uitdelen klinkt erg nobel, maar als je op iemand af moet stappen is het best eng. Een groepje jongens van onze leeftijd slaat ons gade. Ik trek de stoute schoenen aan en vraag aan ze: „Are you hungry?” We laten onze zakken zien. Ze lachen en pakken de banaantjes en pinda’s. Waarom geen voedzame tomaten en wortels? „Die zijn minder lekker.” Als je die keuze kan maken lijkt het me onwaarschijnlijk dat je erg veel honger hebt. Een jongen vraagt ons waarom we eten uitdelen: „Are you a guide of God?” Ik denk daar even over na en besluit de gekke toerist te spelen: „No, no. We just do it because we like it, hahahaha.” Hij heet Simba (Lion King in Afrika!) en weet een betere bestemming voor onze tomaten: „De straatkinderen.”

Simba leidt ons door een doolhof van steegjes en langzaamaan verzamelen zich steeds meer straatkinderen om ons heen. Hij vertelt dat hij zelf maar een keer per dag een maaltijd krijgt: „Ik eet gedurende de dag nog wel een stuk fruit, maar verder niks. Dat is hier normaal.” Als we stilstaan gaan de straatjongens afwachtend om ons heen zitten. De jongste is zo’n zeven jaar en de oudste niet ouder dan dertien. Ze hebben dikke truien aan. Ik vraag wanneer ze eten. Simba vertaalt: „In de ochtend krijgen ze meestal een kopje thee van iemand... en... als de markt ’s avonds dichtgaat krijgen ze ook weleens wat.” Het is 14.00 uur. Ik heb al twee maaltijden op, zij alleen nog maar een kopje thee?

Ik herinner me de posters op een winkelraam: ‘Streetkids + Money = Glue’. Ik vraag of ze ook lijm snuiven. Ze halen bijna vliegensvlug een gekreukeld flesje met een bruinachtige substantie uit hun mouwen. Maar waarom snuiven jullie dan? Een brutaal jongetje met een petje: „Het houdt ons warm, en we hebben geen honger meer. Door lijm hoeven we minder te eten.” Simba voegt daar aan toe: „En ze snuiven ook om geestelijk te overleven. Met de lijm durven ze op de vuilnisbelt eten te zoeken en ’s nachts op straat te slapen.” Ik vraag of ze door het eten vanavond geen lijm snuiven. Ze knikken.

Uitdelen dan maar. Ik tel dat er dertien kinderen zijn, en zeg tegen Simba dat ze twee dingen uit onze tas mogen pakken. De kleintjes beginnen meteen te graaien. Ze zijn vlug, hebben opeens drie tomaten in hun hand en proppen het in hun mond. De brutalen krijgen van de groten een klap op hun achterhoofd.

Vroeger hielp ik op kinderfeestjes. Dan bedacht ik spelletjes en deelde snoep uit. Voedsel uitdelen is niet anders. De kinderen zijn even oud en gedragen zich precies hetzelfde. Ze willen altijd meer. Er is wel verschil. In Nederland draag ik met mijn snoep eraan bij dat ze nog dikker worden. In Tanzania zorg ik er met een paar wortels voor dat ze één avondje niet stoned in de goot liggen. Hopelijk.

Meer details op: www.spunk.nl