Na de stembus

Het lange verkiezingsjaar 2006 eindigde gisteren met de Statenverkiezingen. Driemaal in relatief korte tijd kon de burger zich uitspreken over het bestuur. De opkomst bleef gisteren steken op ruim 46 procent, 1,3 procentpunt minder dan vier jaar geleden. Dat roept terechte vragen op over de democratische legitimatie van de Staten, en in het verlengde daarvan die van de Eerste Kamer.

Het politieke jaar 2006 begon met de verkiezingen voor de gemeenteraden. Door de val van het kabinet-Balkenende II in juni mochten de burgers in november vervroegd stemmen voor een nieuwe Tweede Kamer. De Statenverkiezingen bevestigen nu de trend die in november zichtbaar werd: veel burgers kiezen voor partijen met uitgesproken standpunten op de flanken en hebben het politieke midden verlaten. Daarbij komt dat de nieuwe coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie koeltjes is ontvangen. Maar de regeringscoalitie kan, naar het zich laat aanzien, uitgaan van een werkbare meerderheid in beide Kamers. Dat is uit het oogpunt van stabiliteit en regeerbaarheid alleen maar toe te juichen.

De SP heeft, net als in maart en november vorig jaar, fors gewonnen. In twee provincies, Noord-Brabant en Limburg, is deze partij zelfs groter geworden dat concurrent PvdA. Dat moet een teken aan de wand zijn voor de sociaal-democraten. Die partij werd bovendien ook in Noord-Holland en Flevoland verslagen, maar dan door de VVD. Het ongemak van de PvdA uit zich in de dubbelzinnige duiding die partijleider en vice-premier Bos gisteren gaf aan de uitslag: een „meevallende tegenvaller”.

De Partij voor de Vrijheid van Wilders was een factor van belang en dat is opmerkelijk voor een partij die niet meedeed aan de verkiezingen. Wilders creëerde met zijn aanval op de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak (beiden PvdA) een afleidingsmanoeuvre waar de PvdA intrapte. Daarbij was Wilders’ oproep om blanco te stemmen, terwijl hij zelf de kiezer niet onder ogen durfde te komen, een politieke wanvertoning.

De uitslag geeft aan dat de strategie van VVD en SP om in de senaat een oppositionele meerderheid te behalen niet is geslaagd. Fractieleiders Rosenthal (VVD) en Kox (SP) kondigden aan in de Eerste Kamer de zogeheten ‘Bosbelasting’ te zullen blokkeren. Natuurlijk is het de taak van de senaat om ondeugdelijke wetgeving af te keuren. Maar aangezien er nog geen wetgeving voorligt om te komen tot fiscalisering van de oudedagsvoorziening, overspeelden VVD en SP hier hun hand. Balkenendes oordeel dat het hier om een „politieke spelletje” ging, was juist. De winst van de VVD, waar het CDA beducht voor was, bleef beperkt. Kiezers die in november uitweken naar de christen-democraten om Bos uit ‘het torentje’ te houden, werden nauwelijks gemotiveerd om te stemmen voor de VVD nu deze partij gemene zaak maakte met de SP.

Voorlopig kunnen de stemcomputers weer in de mottenballen. De kiezer heeft gesproken. Het werk van Balkenende IV kan nu echt beginnen. Dat van de oppositie ook.