Minister kan nieuw stelsel alleen maar uitstellen

Het dinsdag verschenen advies van de Raad voor Cultuur bood niet de verwachte opheldering over het nieuwe subsidiestelsel in de kunst. Uitstel lijkt onafwendbaar.

Verwarring overheerste dinsdag, bij de presentatie van het advies van de Raad voor Cultuur over het nieuwe subsidiestelsel. In het nieuwe stelsel worden culturele instellingen ingedeeld in drie groepen aanvragers van subsidie. De raad zou gaan vertellen wie zich in welke groep bevond, tot welke instantie derhalve elke instelling zich moest gaan richten en waarom. Maar het advies gaf niet de beloofde opheldering en werkzame handleiding.

Nadere bestudering van het kloeke advies, een mozaïek aan overwegingen en voorstellen, maakt duidelijk dat de raad er niet uit is gekomen. Althans, dat staat er met de omzichtigheid adviseurs eigen en dan nog in proza op glazen muiltjes. De raad werpt zoveel problemen op – verzoeken aan andere betrokkenen om eerst met gegevens te komen en voorstellen om het toch weer anders te doen – dat de minister de ongemakkelijke conclusie zelf mag trekken.

Dat de raad er niet uitkomt, zou moeten betekenen dat de invoering van het nieuwe systeem van verdeling van rijkssubsidie niet op tijd kan worden ingevoerd. Dat is: niet voor de nieuwe ronde van subsidieverzoeken. Op 1 februari 2008 zouden de culturele instellingen hun verzoek moeten hebben ingediend voor de periode 2009-2013. In dat geval rest handhaving van het bestaande mechanisme.

Met het advies van de Raad voor Cultuur heeft het nieuwe systeem alvast de aanvankelijke glans van eenvoud verloren. Het leek zo simpel: de allergrootsten zouden van hun aanvraagplicht worden ontheven en de kleintjes zouden aankloppen bij fondsen. Maar de criteria moesten preciezer zijn dan ‘groot’ of ‘klein’. Daarom vroeg de vorige staatssecretaris van Cultuur, Van der Laan, en in haar spoor minister Van der Hoeven, vorig jaar aan de raad het idee uit te werken en onderscheid te maken op grond van de functie van instellingen in de kunstwereld. Daarmee begon de hogere wiskunde, en de begripsverwarring.

Instellingen die alleen artistiek-inhoudelijk interessant zijn, zouden zich moeten melden bij de fondsen. Instellingen die een specifieke culturele voorziening in een stad of regio moeten waarborgen (de „instandhoudingsfunctie”), dan wel een functie hebben bij de doorstroming van talent (de „ontwikkelingsfunctie”) zouden zich bij de Raad voor Cultuur moeten melden.

Maar die vraag naar een functionele indeling beantwoordt de raad nu, in het advies van dinsdag, met een eis: „Eerst maken de andere overheden op basis van regionale profielen hun inzichten en wensen ten aanzien van de basisinfrastructuur in hun regio inzichtelijk en kenbaar.” Vervolgens moet worden overlegd in hoeverre die profielen „corresponderen met de inzichten van de minister”. Pas dan kan de raad zich uitspreken, zegt de raad. Die voorwaarde vervullen zal enorm veel tijd kosten. In feite zegt de raad daar dat invoering van het nieuwe systeem op korte termijn onmogelijk is.

De grootste instellingen kunnen niet zomaar hors concours worden gemaakt. Zij zouden worden ‘gevisiteerd’, getoetst door een externe commissie. Maar, schrijft de raad, „het is een misverstand dat visitatie een alternatief zou kunnen bieden voor de periodieke inhoudelijke beoordelingen.” Daarmee betwist de raad de tweede pijler van het nieuwe systeem.

Vervolgens verfijnt de raad de problemen. Bij de sector podiumkunsten wijst de raad het onderscheid op functionele gronden juist af, omdat ook kleine instellingen een cruciale functie kunnen hebben of talent ontwikkelen. De raad stelt hier weer nieuwe criteria ter onderscheiding van groot en klein voor, en biedt een „eerste aanzet tot definiëring”.

Bij andere sectoren worden wel de namen van instellingen genoemd die tot de basis zouden behoren, maar daar duiken weer andere zorgen op. Het advies van de sector beeldende kunst is onder het voorbehoud van een „transformatie” van de Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving. De sector Architectuur stelt dat zijn advies er „anders uitziet”, omdat het een „chaos” is in de sector, met een „zieltogende” infrastructuur.

In een brief van vorig jaar juni stelde de raad al dat „onevenredige druk van onvoldoende voorbereiding” moest worden voorkomen. In oktober schreef de raad vervolgens dat de indeling op basis van functies „aanvullingen en maatwerk per sector” nodig zouden hebben. Helemaal verrassend is het dreigende uitstel dus niet.

Als de minister inderdaad tot uitstel besluit, dient zich een volgende interessante kwestie aan. Heeft het nieuwe stelsel wel voldoende bestaansrecht? Eigelijk zegt de raad van niet. Het advies geeft de nieuwe minister van Cultuur argumenten te over om er geheel van te zien.

De nu verontruste en verwarde kunstsector zou herademen.