Gemeenschapszin

Graciosa heeft het voor elkaar gekregen dat we een eigen pikkelateur hebben, of hoe je noem je zo iemand. De aanwezigheid van het Grote Hotel zal een handje hebben geholpen. ’t Is een mannetje dat schillen, krantenpapier en kartonnen verpakkingen opruimt door ze aan een stok met een puntig uiteinde te rijgen. De altijd met rotzooi bezaaide bermen zien er ineens beeldig uit.

Elke maandag en donderdag komt de pikkelateur ons vanuit de middelgrote gemeente opzoeken en dan trekt hij een overgooier aan met in grote letters niemandsdorp op de rug. Meteen begint hij te pikkelateuren. Soms is het mannetje een vrouwtje.

Nu heeft Graciosa een toneelstuk geschreven. Een toneelstuk voor de kinderen van het dorp, die hoognodig iets om handen moeten hebben. Na de schoonmaak de kunst. Het loopt tegen de Kerst, dus het is een stuk geworden over het kerstgegeven. Iets met een stal en een kribbe. Er komen oosterse wijzen in voor en een keizer, die tegelijk een grote schurk is. ’t Is een persoonlijke bewerking van het kerstgegeven, want er komen ook een farao in voor en een wandelende boom.

Graciosa beschikt over de gave van de mobilisatie. Ze mobiliseert alle vrouwen van het dorp. De vrouwen slaan aan het borduren en textielbewerken dat het een lieve lust is. Er ontstaan punthoeden en lange jurken met blinkende sterren. Er ontstaan tunieken en sandalen. De mannen slaan aan het timmeren. Er ontwikkelen zich troggen en een houten wieg die schommelt. Andere mannen gaan met een tas rond om geld in te zamelen.

Graciosa weet me als altijd te vinden. Ze was al zo genadig me in haar gemeentefolder te vereeuwigen als de evenknie van de blikslager, de mannen met de geldtas kwamen wel drie zondagen achtereen langs en nog zijn de eerbewijzen niet op. Ze weet dat op de zolder van mijn huis dozen met engelenkleren staan, daar achtergelaten door de vorige eigenaar, en ook nog een doos met gazen vleugels. Of ik die ter beschikking wil stellen?

Ik stel ze vanzelfsprekend ter beschikking. Ook herinnert ze zich een damasten processiekleed en omdat dit kleed groen is kunnen er mooi kerstornamenten uit worden geknipt die op een toneelgordijn van rood fluweel niet zullen misstaan. Klokken, takken, opnieuw sterren. Ik geef het groene kleed mee. Het rooie fluweel had Graciosa me al eerder afgetroggeld.

Hoe mooi een nuttig lid van de gemeenschap te zijn! Enkele dagen voor de voorstelling peinst Graciosa hardop dat ze nog een figurant mist, omdat de dikke zoon van de blikslager zijn enkel heeft verstuikt.

In haar kerststukje voor kinderen heeft ze een paar fors uitgevallen figuranten nodig, legt ze uit. Zonder een moment te aarzelen aanvaard ik haar uitnodiging. Ik trek er een blij gezicht bij. Ik voel me een modelgemeentelid.

Zo sta ik daar drie avonden achtereen een uur lang met nog steeds dezelfde blije grijns op het toneel. Onbeweeglijk. De os naast me wordt uitgebeeld door de gepensioneerde postbode van het dorp, een reus van een vent. Ik draag twee gefiguurzaagde oren en een staart van karton. Ik ben een meester in stil spel.

Gerrit Komrij