Europa loopt zichzelf bij hulp voor de voeten

Europese landen zijn vaak ongecoördineerd bezig met het verlenen van ontwikkelingshulp. Dat moet anders, vindt ‘Brussel’. „Ieder moet doen waar hij goed in is.”

In Tanzania werden vorig jaar zeshonderd ontwikkelingsprojecten uitgevoerd ter verbetering van de volksgezondheid. Het gebrekkige Tanzaniaanse overheidsapparaat zag zich volgens de Europese Commissie voor de onmogelijke taak gesteld met alle betrokken organisaties en donorlanden contacten te onderhouden en de hulp in goede banen te leiden. Eurocommissaris Louis Michel (Ontwikkelingssamenwerking) schat dan ook dat een kwart van de Europese ontwikkelingshulp wordt verkwist door overlappingen en onnodige administratiekosten.

Om daar wat aan te doen, presenteerde hij vorige week een vrijwillige gedragscode voor de EU en haar lidstaten. Minister Bert Koenders (ontwikkelingssamenwerking, PvdA) bespreekt deze vandaag met de Tweede Kamer. „Nu doet iedereen nog wat hij zelf wil. Ontwikkelingslanden worden gek van al die verschillende missies. Ik sta vaak kritisch tegenover Europese samenwerking, maar het is erg belangrijk dat hier wat aan gebeurt”, aldus Koenders.

Ongeveer 10 procent van de Europese ontwikkelingshulp wordt door de EU besteed, de rest door de lidstaten. Samen vormen ze met ruim 50 miljard euro hulp in 2005 de grootste donor in de wereld. In de Europese gedragscode wordt een aantal basisprincipes voorgesteld waaraan alle hulp zou moeten voldoen. Een daarvan is dat een EU-land alleen hulp biedt in een sector als die lidstaat daarvoor bijzondere expertise bezit. Andere EU-landen kunnen zich dan beperken tot een financiële bijdrage.

Een ander principe is dat het ontvangende land bepaalt waaraan het ontwikkelingsgeld wordt besteed. Bovendien moeten de lidstaten zich volgens Brussel minder richten op de zogenoemde ‘donorlievelingen’; landen als Vietnam en Mozambique die met ontwikkelingsgeld al enige tijd een voorspoedige ontwikkeling doormaken. Volgens de Commissie blijven landen waar de hulp harder nodig is te vaak buiten beschouwing.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken ziet in de gedragscode positieve ervaringen terug die Nederland in Zambia opdeed. Daar nam de Zambiaanse overheid het voortouw om per sector nog maar met één donorland contact te onderhouden. „Nederland steunt Zambia bij de ontwikkeling van het onderwijs, de gezondheidszorg en de private sector. In het onderwijs en de private sector heeft Nederland de leiding en voert Zambia alleen overleg met Nederlandse delegaties. In de gezondheidszorg ligt de leiding bij Zweden en betaalt Nederland mee’’, aldus een woordvoerder.

Een effectievere besteding van Europese ontwikkelingshulp moet de Millenniumdoelen (zie inzet) van de Verenigde Naties dichterbij brengen. Maar de vraag is in hoeverre een vrijwillige gedragscode verbetering brengt. „Ik denk dat het ten minste tien jaar duurt voordat er echt iets verandert”, zegt Paul Engel, directeur van ECDPM in Maastricht. Deze organisatie richt zich op de ontwikkelingsrelatie tussen de voormalige Europese koloniën en Europa. „Toch is deze code belangrijk. Ooit moest het debat over een duidelijke taakverdeling worden aangezwengeld. Nederland is bijvoorbeeld goed in waterbeleid en ontwikkeling van de landbouw. Maar je kunt je afvragen of wij ons ook bezig moeten houden met de telecomsector, waar Zweden verder lijkt.”

Toch stuit de gedragscode in het Europees Parlement al direct op forse kritiek. Europarlementariër Max van den Berg (PvdA) vindt dat de Commissie zich veel te naïef opstelt ten opzichte van de ontwikkelingslanden. Van den Berg: „De ontvangende landen laten bepalen waaraan het geld wordt besteed, zal vaak verkeerd uitpakken. Als je dat aan president Museveni van Oeganda overlaat, heb je kans dat hij er straaljagers van koopt in plaats van condooms.” Engel van ECDPM erkent de zorgen van Van den Berg. „Maar er wordt door donoren hard aan gewerkt om dat soort zaken te voorkomen”, aldus Engel. „De enige manier om uiteindelijk resultaat te boeken, is toch in die landen bij te dragen aan de ontwikkeling van een verantwoordelijke overheid. Anders blijf je voor sinterklaas spelen”, zegt hij. Minister Koenders acht het uitgesloten dat ontwikkelingslanden Europees geld direct of indirect gebruiken voor de aanschaf van wapens.

Eurocommissaris Michel stelde Nederland vorige week tijdens een persconferentie ten voorbeeld vanwege het terugbrengen van het aantal ‘partnerlanden’ onder het eerste kabinet Balkenende. Dat zijn er nu 36, wat volgens Michel een duidelijke focus in de Nederlandse hulp mogelijk maakt. Koenders is blij met het compliment uit Brussel, maar wil ook kritisch naar de activiteiten van de Commissie zelf kijken. Hij zal dit benadrukken tijdens informeel overleg volgende week met de andere Europese ministers voor ontwikkelingssamenwerking.De Commissie hoopt dat zij zich de komende maanden achter de gedragscode scharen en deze vervolgens implementeren.

Koenders: „Ook Brussel moet bereid zijn compromissen met de lidstaten te sluiten, want ook de Commissie moet alleen dat doen waar ze goed in is. De rest moet ze aan de lidstaten overlaten. Ook eventuele hobby’s van de Commissie moeten voortaan op het tweede plan komen.”