Een bij uitstek politiek project

„Regering en parlement hullen zich, wat Europa betreft, in een vorm van stilzwijgen waaraan menig Trappistenklooster een voorbeeld zou kunnen nemen”, schrijft de historicus prof. H.L. Wesseling in het maartnummer van M, het maandblad van deze krant.

Inderdaad, de politieke klasse lijkt nog steeds radeloos wanneer het erom gaat de impasse te doorbreken waarin zij zichzelf heeft gemanoeuvreerd door niet, zoals de Grondwet voorschrijft, zelf te beslissen over het Europese grondwettelijk verdrag, maar dit aan een referendum te onderwerpen. Tot haar ontsteltenis volgde daarop een overweldigend neen.

Over die ontsteltenis is zij nog altijd niet heen. Vandaar dat even overweldigende stilzwijgen. Niet dat er geen discussie is over wat Nederland nu te doen staat. Maar die discussie bepaalt zich voornamelijk tot academische, in elk geval: niet-politieke kring. Die discussie is te verwelkomen, maar we moeten niet vergeten dat ‘Europa’ in de eerste plaats een bij uitstek politiek project is.

Immers, de Europese eenheidsbeweging werd na de Tweede Wereldoorlog „eerst en vooral bezield door één motief: nooit meer oorlog” (aldus opnieuw Wesseling), maar ook door het besef dat daartoe verdragen en bondgenootschappen niet voldoende waren. Om de duurzaamheid van de Europese eenheid te waarborgen, waren instellingen nodig. Dat was de leidende gedachte van Jean Monnet, vader van wat nu de Europese Unie heet.

Daardoor is – overigens niet bij Monnet zelf – het politieke motief van het project enigszins in vergetelheid geraakt. Vooral Nederland heeft zich geworpen op het aspect van de instellingen. Want wie over politiek praat, praat over macht, en daar is het kleine Nederland, tenminste wanneer het om internationale politiek gaat, afkerig van. Een grotiaanse traditie getrouw, zoekt het zijn kracht en veiligheid in het recht, dat instellingen behoeft.

Daar is niets mis mee, mits het politieke motief niet vergeten wordt. Grotere Europese landen, die uit een andere traditie putten, vergeten dat niet. Bij hen primeert de politiek. Zo legden Frankrijk en Duitsland het stabiliteitspact, dat bedoeld was de euro te bewaken, soepeler uit dan Nederland.

Vandaar ook dat daar, in Frankrijk bijvoorbeeld (dat eveneens neen stemde), de discussie over Europa niet slechts onder academici en niet slechts over de instellingen wordt gevoerd. Ook politici hebben daar uitgesproken ideeën over – over de plaats die een verenigd Europa ten opzichte van Amerika moet innemen bijvoorbeeld. Daar hoor je in Nederland weinig over.

Eén belangrijke Nederlandse politicus, althans oud-politicus, heeft zich erover uitgesproken: Ruud Lubbers. Hij heeft recht van spreken, want als minister-president heeft hij twaalf jaar lang deelgenomen aan het Europese beraad. Hij is dus geen theoreticus. In de Volkskrant van 22 februari schreef hij er een artikel over.

De EU ziet hij als een „samenwerking (van staten) met behoud van de soevereiniteit van de lidstaten”, die echter op bepaalde terreinen, bijvoorbeeld de buitenlandse handel, hun soevereiniteit hebben samengevoegd. Zo is de ene markt tot stand gekomen. Van die gedachte uitgaande geeft hij verscheidene adviezen, daarbij prioriteiten niet schuwende.

Maar wanneer hij op het terrein van een gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid – een eminent politiek terrein – komt, wordt hij onzekerder. Het landschap hier is, zegt hij terecht, „mistroostig”. „Er is dringend behoefte aan een Europese defensie-identiteit”, een „stevige, moderne, niet-nucleaire defensie”. „Na de ene markt en de ene munt het ene uniform...”

Prachtig! Maar hoe moet die tot stand komen? Zal, om te beginnen, Frankrijk zich zomaar neerleggen bij het niet-nucleaire karakter van die defensie? Maar ook het institutionele karakter verliest hij niet uit het oog: hier ligt „een belangrijke reden voor een overtuigende roulerende Europese president of, beter gezegd, voorzitter van de Europese Raad van Regeringsleiders, geassisteerd door een ‘European Secretary of State’ ”.

Ocharm! Frankrijk en Engeland, die toch beide voor een overtuigende Europese defensie onmisbaar zijn, zien ons al met zo’n figuur aankomen! Terecht schrijven E.P. Wellenstein en P.J.G. Kapteyn, resp. gewezen Europees ambtenaar en rechter, op 20 februari (dus nog vóór Lubbers’ artikel) in deze krant: „Het is nogal naïef te denken dat de opvolgers van Chirac en Blair zich ooit door zo’n voorzitter de kaas van het brood zullen laten eten” (dit ‘realisme’ staat overigens op enigszins gespannen voet met hun eerdere uitspraak dat er „helemaal geen sprake” is „van een dominant overwicht van ‘grote’ lidstaten”).

Maar terug naar Lubbers: als zelfs iemand die de Europese praktijk zo goed kent als Lubbers, zulke „naïeve”, zo niet verwarde, ideeën over het politieke hart van de Europese samenwerking koestert, moeten we ons niet te veel voorstellen van een echte politieke discussie over Europa. Hoe kan er ooit gezag uitstralen van een roulerend voorzitterschap, en kan een Europese minister van Buitenlandse Zaken ooit meer dan een notulist zijn, wanneer de lidstaten, zoals Lubbers zelf aanvaardt, soeverein blijven?

Geen wonder dat de nieuwe staatssecretaris voor Europese Zaken, Frans Timmermans, op zijn eerste dienstreis naar het buitenland zich tegenover de meereizende redacteur van deze krant (1 maart) laat ontvallen dat hij voor een „heidense klus” staat en dat de openingen die hij ziet, „muizengaatjes” zijn. „Er móet iets veranderen, anders gaat het echt mis in Europa” klinkt ook niet erg opwekkend. Nee, van de politieke klasse in Nederland is het reddende woord voorlopig niet te verwachten.