Agent Orange en asbest achtervolgen Philips

Verzekeraars vrezen op te moeten draaien voor miljardenclaims bij Philips. Ze wisten niet dat een dochterbedrijf asbest heeft verhandeld en Agent Orange heeft geproduceerd.

Grote verzekeraars voelen zich misleid. En niet door de eerste de beste: multinational Philips. Een groep verzekeraars voert sinds 2005 een slepende rechtszaak met het elektronicaconcern, waarin zij om goedkeuring vragen voor de vernietiging van jaarlijkse verzekeringscontracten die zij afsloten tussen 1998 en 2001.

Voor de verzekeraars staat er veel op het spel, zo bleek deze week voor de rechter. Ze willen uitkomen onder claims voor asbest en mogelijke claims van slachtoffers uit de Vietnamoorlog van het daar ingezette ontbladeringsmiddel Agent Orange.

Wat is er aan de hand? Een bedrijf dat tussen 1961 en 1981 tot het elektronicaconcern behoorde, leverde Agent Orange aan het Amerikaanse leger. Nog steeds worden kleinkinderen van Amerikaanse Vietnamveteranen en Vietnamese oorlogsslachtoffers daardoor met afwijkingen geboren als open ruggetjes geboren.

De verzekeraars (onder meer Winterthur, Axa, Royal Sun Alliance, Fortis) verwijten Philips dat het concern heeft verzwegen een dochteronderneming te hebben, Thompson Hayward Agriculture en Nutrition (Than), dat geen ander bestaansrecht heeft dan het afhandelen van schadeclaims. Than is een voortzetting van het bedrijf Thompson Hayward Chemical Company, dat niet alleen Agent Orange produceerde, maar ook het bestrijdingsmiddel DDT en ruwe asbest verhandelde.

Tot op de dag van vandaag worden claims ingediend door slachtoffers van die stoffen. Vooral van asbest. Philips wil die claimen bij zijn verzekeraars. In 2006 nam het bedrijf een voorziening op van 256 miljoen euro, voor de komende tien jaar schat Philips dat 396 miljoen euro nodig is.

De schade, voor alleen de asbestclaims, kan oplopen tot 2 miljard euro, schat advocaat Stijn Franken (Nauta Dutilh) die maandag namens de verzekeraars het woord voerde tijdens een zitting voor de rechtbank in Amsterdam. Maar over de precieze omvang tasten de verzekeraars in het duister. Zij vroegen maandag voor de rechter om meer informatie. Maar Philips weigert dat. Als zij vinden dat ze niet hoeven uitkeren, hebben ze ook geen recht op informatie, betoogde advocaat Marina de Kort (De Brauw) namens Philips.

Uit de processtukken vanaf 2005 blijkt dat Philips vindt dat de verzekeraars pech hebben.„Ze wilden graag koste wat het kost meedoen. Dit laatste kwam tot uiting in het feit dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst weinig vragen werden gesteld”, stelde De Kort in april 2006. „Men gooide het hele concern op een hoop met alle goede en kwade kansen.” Deze week voegde ze daar aan toe dat de verzekeraars voor 25 miljoen euro aan premies hebben ontvangen.

„Als we het hadden geweten,had dat alarmbellen doen rinkelen”, zeggen de verzekeraars. „In ieder geval hadden de verzekeraars een uitsluiting opgenomen”, beweren zij. Het wereldwijde verzekeringscontract werd in 1997 op de assurantiebeurs aangeboden. Daarbij wordt niet door de verzekeringnemer, zoals particulieren dat gewend zijn, een vragenlijst ingevuld. Philips had een mededelingsplicht, vinden zij. Maar het bedrijf stelt dat de verzekeraars meer alert hadden moeten zijn. „Philips hield zich destijds zelfs bezig met de productie van sanitair en bedmatrassen.”

In 1997 had Philips nog 1.400 dochters. Het is ondoenlijk om dat uit te zoeken, vinden de verzekeraars. Dat Philips meer deed dan televisies maken, hadden de verzekeraars kunnen weten, vindt het bedrijf. Dochter Duphar, dat onder meer farmaceutische producten produceerde, raakte in de jaren tachtig in opspraak door milieuverontreiniging omdat het illegaal chemisch afval had gestort.

Pas in 2002 heeft Philips de asbestclaims bij de verzekeraars gemeld omdat deze toen begonnen binnen te stromen. Volgens Philips was de problematiek rond Agent Orange bij het sluiten van de verzekeringscontracten niet meer relevant, omdat in 1984 een schikking voor 180 miljoen dollar was getroffen met slachtoffers. Philips hoefde daar als kleinere producent slechts een klein deel van te betalen. Deze week meldde de Philips-advocaat echter dat het Hooggerechtshof in 2003 de zaak heeft opengebroken, maar ze wees er ook op dat een lagere rechter in 2005 een claim heeft afgewezen.

Over acht weken doet de rechter uitspraak of Philips meer informatie moet verschaffen. Daarna wordt de bodemzaak weer opgepakt waarin wordt uitgemaakt of de vernietiging van de verzekeringscontracten rechtmatig is.