Tragiek van een gitaarheld

Jimmy Rosenberg - de vader, de zoon & het talent. Regie: Jeroen Berkvens. In: 8 bioscopen.

Regisseur Jeroen Berkvens begint zijn film over Jimmy Rosenberg met wat een mooi slotbeeld had kunnen zijn. De zigeuner jazzgitarist zit in zijn kamer in een psychiatrische inrichting op bed, met zijn gitaar op schoot. Hij pingelt wat. De camera filmt hem door de kier van de deur, we kijken tegen zijn rug aan en zien alleen zijn silhouet in de donkere kamer. Het shot ademt eenzaamheid en verlatenheid. Iemand die op zichzelf is teruggeworpen. Precies Berkvens bedoeling. Jammer dat hij vaker zijn toevlucht neemt tot dit type shot, gefilmd door kieren of ramen. Zo verliest de connotatie aan impact en betekenis.

De in 1980 geboren Jimmy Rosenberg is een wonderkind. Op heel jonge leeftijd speelt hij de sterren van de hemel en hij wordt, onvermijdelijk, al snel gebrandmerkt als opvolger van de legendarische swinggitarist (of manouche) Django Reinhardt. Rosenberg maakt vliegensvlug naam, krijgt een platencontract maar de roem levert ook druk op, waaraan hij ontsnapt door drugs te gebruiken.

Als zijn vader Macky in 1998 voor 15 jaar de gevangenis in moet, verliest Jimmy zich meer en meer in drugs. Hij jaagt al zijn geld – miljoenen guldens – er doorheen en laat zich opnemen in een psychiatrische kliniek.

In de documentaire van Berkvens doet de gitarist dit alles zelf uit de doeken, steevast met z’n gitaar in de hand. Berkvens filmt ook het moment waarop vader Macky weer vrijkomt en het leven van zijn zoon weer op orde tracht te krijgen. In een mooi shot observeert hij ze van de zijkant, als ze naast elkaar op de bank zitten. Macky praat op zoonlief in die op een gegeven moment afwezig in de ruimte staart. Hij is er geestelijk nog niet klaar voor. Dan volgt een focus pull naar de ogen van Macky, die streng en gedecideerd voor zich uit kijkt. Hij krijgt maar geen echt contact met zijn zoon. Dit soort opnamen zitten veel in de film: helder, direct en toch subtiel.

Gek dat Berkvens ook probeert meer ‘poëtische’ beelden in zijn film te verwerken: gordijntjes die traag in de wind bewegen, een grasveld vol achtergelaten schoentjes. Ze horen niet echt thuis in de film; in hun nutteloosheid leiden ze alleen maar af van de tragiek van een familie die uit elkaar valt. Het is alsof Berkvens die een beetje wilde verzachten.