Theater kookte advies zelf voor

De toneelwereld is blij met het advies van de Raad voor Cultuur dat gisteren uitkwam. Immers, ze heeft dit deels zelf voorgekookt. „Maar wij zijn tegen vijandige fusies.”

Amsterdam, 7 maart. - „Ik ben blij dat er iets gaat bewegen in het theater”, zegt Evert de Jager van het Nationale Toneel, „en dat we daar zelf eensgezind het initiatief toe hebben genomen.”

Gisteren lichtte de Raad voor Cultuur zijn advies voor de minister van Cultuur toe. Het theatergedeelte daarvan kan op veel bijval rekenen bij De Jager en de andere leiders van de grote toneelgezelschappen – immers, zij hebben de plannen zelf voorgekookt. Het idee om Nederland te verdelen onder acht grote stadsgezelschappen, met vaste ensembles en een werkhuistaak om nieuwe regisseurs te begeleiden, is grotendeels overgenomen door de raad.

„Vanaf 2005 hebben de toneelgezelschappen van Nederland gezamenlijk gepraat over de toekomst van het theater, in de zogenoemde ‘zeesessies’ aan het strand van Zandvoort”, aldus De Jager. „Vanaf zomer 2006 hebben de leiders van vier grote gezelschappen – Het Nationale Toneel, Toneelgroep Amsterdam, het Ro Theater en Orkater – samen verder gepraat. Dit heeft geleid tot ons plan van december 2007 dat door elf gezelschappen was ondertekend. Rond Kerst hebben we dit al naar de Raad voor Cultuur gestuurd, en nu is het dus in hun advies terechtgekomen. Om strategische redenen hebben wij ons plan, ook ondertekend door de schouwburgdirecteuren, vlak voor het advies naar buiten gebracht.”

De Jager is erg blij dat na jaren van stilstand de toneelwereld zélf in beweging is gekomen en het lot in eigen hand heeft genomen. Hij ziet echter één wezenlijk verschil tussen zijn plan en dat van de raad: „De raad vindt dat ook in de steden in de randstad één structureel gesubsidieerd stadsgezelschap moet komen. De andere moeten bij de fondsen aankloppen. Dat is nooit onze bedoeling geweest. In de grote randsteden moet ruimte zijn voor meerdere gezelschappen. Als het Nationale Toneel wordt uitgebouwd tot een groot stadsgezelschap, mag dat in Den Haag niet ten koste gaan van De Appel.”

Gerrit Timmer van het middelgrote Onafhankelijk Toneel uit Rotterdam was ook ondertekenaar van de plannen, maar hij voelt zich nu ‘bekocht’: „De raad heeft er iets heel anders van gemaakt. Je kúnt niet in iedere grote stad één gezelschap hebben dat al het geld opslurpt. Niet iedereen wil schouwburgtoneel maken, dat is ook volkomen tegen de tijdgeest. Toneel maken op kleinere schaal, voor eigen deelpubliek is veel meer van deze tijd. Een gezelschap moet kunnen groeien. Theater maken gaat niet per decreet van bovenaf.”

Waarom heeft het Onafhankelijk Toneel, een gezelschap dat zich bedreigd zou moeten voelen door dit samenvoegingsidee, het plan toch getekend: „Ach, we liggen altijd dwars en we wilden eens constructief meedoen. En we wilden proberen om de heren tot een compromis te verleiden. Maar wij willen niet door een fonds gesubsidieerd worden omdat een fonds een ondemocratische black box is waar niemand toezicht op kan houden.”

En als het Onafhankelijk Toneel moet fuseren met het Ro Theater, om één groot Rotterdams stadsgezelschap te vormen? „Dan heffen wij onszelf op. Wij gaan zeker niet fuseren.”