Stoel worden

Rollenspel, yoga, allerlei poses, ongecompliceerd dierlijk zijn en verder niets anders aan je hoofd hebben dan op de juiste manier je rug rechten. Prima voor de ongebruikte spieren.

„Kun je al zweven?”, vraagt een kennis met het gemelijke grijnsje dat betekent dat hij een zaaltje vol mediterende, kaalgeschoren asceten en ietsistische middelbare dames met Indiase sjaals om het hoofd voor zich ziet. „En nu moet je wel vegetariër worden, zeker?”

Ik lach maar een beetje. Mannen van veertig die hockeyen en wildwaterkanoën, zoals hij, hebben zo hun eigen gedachten over yoga.

In feite is yoga – om precies te zijn lyengar yoga –, dat ik wekelijks met gepaste hartstocht en in groepsverband beoefen, meer een langzame, maar straffe gymnastiek. Prima voor de ongebruikte spieren van vadsig achter hun bureau hangende schrijvers, en godzijdank zonder de harde, opzwepende muziek die aerobics, callanetics, bodyshape, of hoe het ook allemaal heet, zo onuitstaanbaar maakt. Het is een manier om je aandachtig en precies op spieren en ademhaling te concentreren. Op het kleine sportschooltje waar mijn clubje les krijgt van een ranke, etherische Italiaanse, doet af en toe ook iemand mee die net, rood en zwetend, van bodyshape komt, om ‘lekker te ontspannen’, maar voor de meesten van ons is het pure inspanning.

Wat me er verder aan bevalt, is dat het een soort rollenspel is; de yogaposities beelden iets uit. Dogpose (de lerares gebruikt altijd de Engelse namen) is heel eenvoudig en op handen en voeten voel je je ook ongecompliceerd dierlijk, met niets anders aan je hoofd dan het op de juiste manier rechten van je rug.

In childpose, dicht bij de grond, ben je weer even het kind dat kruipend de wereld ontdekt, zonder gevaar van omvallen. Imposant en ook het moeilijkst is hero- of warriorpose, waarbij de wijd uiteengeplaatste benen onverzettelijke pilaren of boomstammen moeten worden, het bovenlichaam een kwartslag gedraaid, de armen onbeweeglijk wijd en het hoofd natuurlijk heldhaftig geheven. Als het lukt om tijdens deze inspanning tersluiks even rond te kijken, zie je de hele groep prachtig fier, met krijgshaftige blik in de ogen, in positie staan. Ikzelf zou, door mijn lengte, een buitengewoon indrukwekkende held zijn, ware het niet dat ik nooit kan ophouden met wankelen, waardoor de vijand aan een pink genoeg zou hebben mij omver te duwen.

Er is één pose die ik haat: chairpose, stoelhouding. Hierbij dient men met de voeten parallel en zonder ook maar een moment met de hielen van de vloer te komen, in een stoel te gaan zitten, die er niet is. Je moet namelijk zelf stoel worden. Geruime tijd moet je met de dijbenen horizontaal en de rug recht blijven staan op een manier alsof iemand op je zou kunnen plaatsnemen.

Mijn afkeer van deze pose valt voor een deel te verklaren uit lichamelijke ongeschiktheid: mijn hielpezen en/of kuitspieren zijn doodeenvoudig te kort om de knieën de rechte hoek te laten maken die een geloofwaardige stoelzitting uitbeeldt. Maar het gaat dieper. Alles in mij verzet zich krachtig tegen het stoel worden. Of het nu de ondraaglijke gedachte is dat iemand daadwerkelijk op me zou gaan zitten – terwijl ik het toch al zo moeilijk heb in deze houding – of de grimmige onwil een ander tot steun of comfort te zijn, daar wil ik af zijn, maar mijn hele lijf stelt zich ertegen te weer.

„Dieper door de knieën”, roept de juf. „Don’t loose your heels!”

Als voorbeeld voor ons transformeert zij zich tot ragfijn eetkamerstoeltje, Italiaans design, terwijl wij proberen het tot degelijke, Hollandse matzittingen, Rietveldstoelen of desnoods Chesterfields te brengen. Ik kom amper tot de sta-op-stoel voor bejaarden, in de sta-op-stand wel te verstaan. De hogere gedachte achter de pose zal wel wezen dat men in het leven ook dienstbaar moet kunnen zijn of dat men zich in een levenloos, nederig maar nuttig ding moet kunnen verplaatsen en niet hoogmoedig moet worden.

Maar hoe zit het dan als je te korte kuitspieren hebt? Die kunnen door gericht beleid wel degelijk opgerekt worden, meent de juf. Vooral niet opgeven.

Nog eenmaal span ik me vruchteloos in om tot een enigszins herkenbaar zitmeubel te komen en dan laat ik me recalcitrant achterover vallen en blijf op mijn ellebogen steunend naar de andere stoelen kijken, als een in elkaar geklapte chaise longue.

„Veel oefenen”, raadt de lerares aan.

Maar ik ben al te ver heen: ik kies voor de hoogmoed.