Provocateur in de Franse filosofie

Amerika is het voorland van een nieuwe realiteit, was een van de opvattingen van de filosoof Jean Baudrillard.

De Franse socioloog en filosoof Jean Baudrillard wist wat provoceren was. In de eerste maanden van 1991 schreef hij een reeks kritische artikelen over de eerste Golfoorlog, later verzameld in het pamflet De Golfoorlog heeft niet plaatsgevonden. Tien jaar later schreef hij, naar aanleiding van de aanslag op het World Trade Center in New York: „Anderen hebben dit op hun geweten, maar wij hebben het gewild.”

Die beweringen van Baudrillard, die gisteren na een langdurige ziekte op 77-jarige leeftijd in zijn Parijse woning overleed, sproten niet voort uit een anti-Amerikanisme dat Franse intellectuelen vaak te makkelijk in de schoenen wordt geschoven. Baudrillard was gefascineerd door de Amerikaanse cultuur en samenleving, die hij, niet zonder ironie, de ‘gerealiseerde utopie’ noemde. Hij schreef er meerdere boeken over, waarin hij op impressionistische manier zijn observaties vermengde met theoretische inzichten.

In de ogen van Baudrillard was Amerika voorland van een nieuwe werkelijkheid, die hij hyperrealiteit noemde. Niet de werkelijkheid zélf was daarin nog belangrijk, maar de wijze waarop zij (vooral door de media) werd gepresenteerd en gesymboliseerd. Het televisiebeeld is ‘echter’ geworden dan de realiteit, de symbolische betekenis van gebruiksvoorwerpen belangrijker dan hun praktische nut.

Baudrillard werd in 1929 als boerenzoon geboren in de buurt van Reims. Hij studeerde Duits, werkte jarenlang als leraar, tot hij in de jaren zestig ontdekt werd door de marxistische filosoof Henri Lefebvre, die hem als socioloog de universitaire wereld binnenhaalde. Begin jaren zeventig werd hij hoogleraar sociologie aan de nog jonge, ‘revolutionaire’ universiteit van Nanterre. Hij ontwikkelde zich tot een van de meest invloedrijke sociologen van de postmoderne massacultuur

Een orthodox marxist is Baudrillard nooit geweest. Het Franse communisme verweet hij vastgeroest te zitten in een denken dat niet meer op de moderne samenleving was toegesneden. Het verschil tussen de ruil- en gebruikswaarde van goederen, waarop de marxistische maatschappijvisie steunde, was volgens hem niet meer van belang in een samenleving die dreef op consumptie.

[Vervolg BAUDRILLARD: pagina 4]

Baudrillard verkeek zich op massacultuur

Niet hoe een product gemaakt wordt of wat je ermee kunt doen is doorslaggevend, zo constateerde hij in zijn eerste boek Le système des objets (Het objectsysteem) uit 1968, maar de symbolische betekenis daarvan. Zo ontleent tegenwoordig een nieuw mobieltje zijn waarde niet aan het feit dat je er beter mee kunt bellen, maar aan het feit dat het nieuw is, van het laatste model en van een sexy merk.

Dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit ‘dingen’, maar één groot systeem van tekens vormt, was in het Franse denken van de jaren zestig geen nieuwe gedachte meer. Maar Baudrillard radicaliseerde dit structuralistische idee door iedere band tussen die teken-werkelijkheid en de echte realiteit door te snijden. Die laatste is geheel achter de eerste verdwenen, zo stelde hij vast in zijn boek La société de consommation (De consumptiemaatschappij) uit 1970.

Het moderne leven bestaat volgens Baudrillard alleen nog uit inhoudsloze vormen, die hij simulacra (schijnbeelden) noemde. Iedereen die probeert daarachter nog een echte, harde werkelijkheid te zien, begrijpt niets van de postmoderne wereld waarin wij leven, zo houdt hij de andere filosofische kopstukken van zijn generatie voor. Stuk voor stuk waren zij volgens Baudrillard nog in de ban van een voorgoed verdwenen ‘ware’ wereld. Vooral Michel Foucault, met wie hij in zijn schotschrift Oublier Foucault (Foucault vergeten) uit 1977 een vete uitvecht, moet het daarbij ontgelden.

Helaas laten de boeken van Baudrillard steeds duidelijker zien dat men de werkelijkheid niet straffeloos prijsgeeft. Zijn stijl wordt steeds eigenzinniger, associatiever en ondoordringbaarder. Terwijl zijn denken – zoals in zijn ook in het Nederlands vertaalde boek De fatale strategieën uit 1983 – in zichzelf opgesloten raakt. Onder filosofen, die hem onhelderheid en ontoegankelijkheid verwijten, is Baudrillard altijd minder populair gebleven dan in kringen van kunstenaars, vormgevers en cultuurcritici.

Hoe wild Baudrillards denken geworden was, bleek uit zijn commentaren op de Golfoorlog en de aanslagen van 11 september 2001. Zijn vaststelling dat de eerste Amerikaanse veldtocht tegen Saddam Hussein door de tv-verslaggeving daarover eerder aan het oog werd onttrokken dan getoond, was met het nieuwe verschijnsel van ‘embedded’ journalisten en dagelijkse briefings met door het leger geselecteerde, gameboy-achtige beelden niet helemaal ongegrond. Maar het radicalisme waarmee hij vaststelde dat ‘de Golfoorlog’ dus niet had ‘plaatsgevonden’, joeg menige lezer zozeer in de gordijnen, dat dat inzicht er eerder door werd verhuld dan verhelderd.

Op dezelfde manier bleek Baudrillard zich tien jaar later te verkijken op de wetten van de massacultuur, die hij zelf zo scherpzinnig had blootgelegd. De beoogde subtiliteit van zijn beschouwing over ‘11 september’ werd volledig overschaduwd door de provocerende toon van zijn woorden, die zo los kwamen te staan van hun bedoeling.

Dat het westen sinds jaar en dag geobsedeerd is door zijn eigen catastrofe (Untergang des Abendlandes) is ongetwijfeld waar, maar door te zeggen dat het daarmee de ‘11/9’ had gewild schoot Baudrillard ieder begrip voorbij. Een betere illustratie van zijn grondgedachte dat taal en tekens zich geheel van de werkelijkheid hebben afgescheiden, had hij, ironisch genoeg, niet kunnen geven.