Onzekere stuntelaar nu ‘happy has-been’

Hugh Grant, de vlees- geworden zelfrelativering, is de schaamte voorbij.

Hij is nu een uitgerangeerde popster in ‘Music and Lyrics’, vanaf morgen in de bioscoop.

Je moet het maar durven: om als acteur die betere tijden heeft gekend een rol aan te nemen als uitgerangeerd popidool. Hugh Grant (1960, Londen) speelt hem in Music and Lyrics, een romantische komedie over een voormalig zanger van een Wham!-achtige popgroep. Alleen is hij niet de George Michael maar de Andrew Ridgeley van de twee.

Twintig jaar later noemt hij zichzelf een ‘happy has-been’. Wat heet: als hij bij een schnabbel sexy dansend op het podium de jaren tachtig nog eens dunnetjes overdoet, verrekt hij zijn knie. Erg grappig is de muziekclip die bij de film hoort (te zien op YouTube), een perfecte parodie op al die vrolijke eighties-bands, compleet met synthesizerintro die bewonderenswaardig lang in je hoofd blijft zitten.

Andere tijden vragen om andere rollen. Guitige Grant, de vleesgeworden zelfrelativering, is nu helemaal de schaamte voorbij. Hij heeft er geen problemen mee om als ‘over the hill’ te worden gezien. About a Boy, de titel van boek en film, vat zijn carrière tot nu toe goed samen. Op zijn 46ste draagt hij nog steeds een plukkerige haarcoupe, maar hij is duidelijk ouder geworden. En de vrolijke piekeraar, zoals hij vaak in films overkomt, is hij in het echte leven niet. In interviews ter promotie van Music and Lyrics zegt hij elke keer weer: „I’m a cloud of London gloom.”

Toch groeide hij uit tot The King of Romantic Comedy, met Four Weddings and a Funeral (1994) als doorbraak en tegelijkertijd hoogtepunt. Kijkend naar Grant dringt zich de vraag op: wat is het verschil tussen een acteur die een handelsmerk heeft, en een acteur die zichzelf herhaalt? Een typische Grant-rol is de welbespraakte stuntelaar die zijn onzekerheden hardop uitspreekt en zo de lachers en de vrouwen op zijn hand krijgt. Geen tegenslag zo groot of zijn personage weet er een komische draai aan te geven, zonder daarbij de komiek uit te hangen. Een man die zijn zwaktes toont: het vrouwelijk publiek vindt dat wel zo schattig en het mannelijk publiek ziet er geen gevaar in. In Bridget Jones’s Diary speelde hij ineens een foute man, en rasegoïst, maar er veranderde niets wezenlijks aan Grants acteermethode: eloquent, charmant, een open boek.

Wel veranderde zijn imago van op en top Britse chaoot in vrouwenverslindende kwajongen, in gang gezet door zijn arrestatie in 1995, toen hij op Sunset Strip in zijn auto betrapt werd met prostituee Divine Brown. De voormalige Oxford-student (hij studeerde Engels), en acteur in piekfijn Brits drama (The Remains of the Day, Sense and Sensibility) had ook een duistere kant, en daar lustten de media wel pap van. Zijn politiefoto verscheen in alle kranten. Het glamour-shot werd verruild voor een groezelig plaatje van de gevallen filmster, een traditie zo oud als Hollywood. Filmmaker Kenneth Anger schreef er een heel boek over vol: Hollywood Babylon, over de droomfabriek als zinnebeeld voor een goddeloos systeem, waar drugs, overspel en (zelf)moord de dienst uitmaken.

In die auto verdampte Hugh Grants imago als ‘a Cary Grant for the Nineties’, maar hij herpakte zich met Notting Hill, Bridget Jones’s Diary, Love Actually en zijn rol als snobistische kunsthandelaar in Woody Allens Small Time Crooks. Heerlijk onuitstaanbaar kan hij zijn, nukkig op zijn Brits, met doorzichtige motieven en daardoor makkelijk te plaatsen voor de kijker. Hij laat niets te raden over, en juist daarom is hij misschien wel zo’n raadselachtige figuur. Want met zijn quasi-mopperige opmerkingen over zijn eigen tekortkomingen, over het saaie filmvak en zijn eeuwige twijfels haalt hij, heel slim, eventuele criticasters zelf de wind uit de zeilen.