Niks geen geschuil achter de vingerplant op je bureau

Het lijkt me pittig, minister worden. Bij andere banen is het makkelijker. Daar kun je je in het begin verdekt opstellen bij de koffieautomaat om te zien hoe iedereen met elkaar omgaat, en daarop je gedrag aanpassen. Of achter je beeldscherm verstopt blijven zitten, wachtend tot andere collega’s jou groeten. Hoef je niet meteen in de eerste week een Powerpointpresentatie te geven met mission statements en lijngrafieken.

Maar minister, dat ben je ineens. En het valt ook zo op. Niks geen geschuil achter de vingerplant op je bureau. Je moet meteen op het journaal, en op de foto, en met belangrijke mensen praten.

Dat dacht ik terwijl ik toekeek hoe Ronald Plasterk, onze nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een rapport van de Raad voor Cultuur in ontvangst nam. Plasterk lijkt me niet iemand met ego-problemen, dat wil zeggen, hij lijdt volgens mij niet aan een te klein ego. Maar nu was hij onwennig. Een beetje verlegen, zelfs. Ik hoorde hoe hij aan een voorlichtster vroeg waar hij moest gaan zitten. Nou, daar, wees ze naar zomaar een stoel. En toen hij het rapport in ontvangst moest nemen, was hij kennelijk vergeten dat dat moment ook gefotografeerd zou worden, want hij had een onfotogeniek verfrommeld papiertje in zijn hand, waarop, bleek later, zijn speech stond.

In die speech vertelde hij dat hij blij was dat er veel aandacht was voor amateurkunst, omdat hij zelf amateurzanger is. Goed idee, om dat te zeggen. Als je ergens net komt kijken en meteen een speech moet houden, kun je maar beter iets kleinschaligs over jezelf zeggen in plaats van dingen als ‘in onze cultuur liggen de vrijheden van onze democratische rechtsstaat besloten’.

Plasterk zei trouwens ook nog iets dat niet over zijn hobby’s ging. Iets waar ik van opkeek. Tussen neus en lippen door meldde hij dat hij, als minister, kunst zou benaderen als iets dat „glans gaf aan het leven”. Dit in tegenstelling tot veel ministers die hem voorgingen. Van die types mocht een toneelstuk niet gewoon een toneelstuk zijn, maar iets waar, ik noem maar wat, problematische Marokkaanse jongens gedwongen heen moesten om van het slechte pad af te komen en geïntegreerde lieverdjes te worden.

Onder Plasterk wordt dat dus anders. Niet meer: kunst omdat het moet, maar kunst omdat het leuk is. Wat een avant-gardistische gedachte.