Niet weer een defensiedoofpot

Afgelopen week werd duidelijk dat de regeringspartijen hebben afgesproken om niet mee te werken aan een parlementair onderzoek naar de motieven van de regering voor haar politieke steun aan de oorlog tegen Irak. In de Verenigde Staten worden alle feiten over de politiek van Bush in Irak minutieus onderzocht. In Nederland wordt geprobeerd op dit punt het parlement monddood te maken.

De tegenstanders van een dergelijk onderzoek hebben weinig geleerd van de lijdensweg die tot de parlementaire enquête Srebrenica heeft geleid. Na het ‘Srebrenica-drama’ was het de oppositie die om een parlementaire enquête vroeg. De regeringspartijen besloten hieraan geen gehoor te geven. Aanvankelijk was dit standpunt ook te handhaven, omdat de Verenigde Naties niet van harte aan het onderzoek wilden meewerken. Uiteindelijk besloot eind 1996 de regering als ‘bezweringsformule’ het NIOD te vragen om een onderzoek uit te voeren. Maar van begin af aan was duidelijk dat dit uitstel van executie was. Zeven jaar later kwam de enquête er wel.

Het getuigt van politieke behendigheid dat de SP deze omweg probeert te bewandelen. Maar waarom? Het is volstrekt duidelijk dat de argumentatie van de regering tot nu toe onvoldoende is geweest. Het enkele feit dat Saddam Hussein de VN-resoluties niet heeft uitgevoerd, is onvoldoende legitimatie om een oorlog te beginnen. Er zijn nog wel meer lidstaten die resoluties van de VN aan hun laars lappen. Er is dus alle reden voor een parlementair onderzoek. Op basis daarvan kan worden besloten of er een parlementaire enquête moet komen.

Dat enkele fracties een onderzoek blokkeren, is onverstandig. Hierdoor heeft men op voorhand de schijn tegen. Als de oppositie op dit punt gezamenlijk zou optrekken, ontstaat een verhouding van 70 tegen 80. Bij zo’n verhouding dienen de regeringspartijen zich te beraden of zij de inzet van een essentieel parlementair instrument willen blijven blokkeren. De geschiedenis heeft uitgewezen dat dit niet verstandig is.

De regering zegt ook naar de oppositie te willen luisteren. Als dit ook voor de regeringspartijen geldt, kan volgende week het onderzoek starten. Mocht men blijven volharden, dan kan men de vraag stellen of het Reglement van Orde niet op dit punt moet worden bijgesteld. Hoewel men met een dergelijk parlementair instrument zorgvuldig moet omspringen, mag het niet zo zijn dat bij vraagstukken van ‘leven en dood’ een minderheid wordt genegeerd door een minieme meerderheid die bestaat uit monistische regeringspartijen.

De sussende woorden van de PvdA-leider Bos, dat Nederlandse militairen voortaan alleen worden uitgezonden op basis van een volkenrechterlijk mandaat, komen als mosterd na de maaltijd. In het Toetsingskader van 1995 (!) is dit al vastgelegd. Een regering die daarvan afwijkt, heeft dus iets uit te leggen.

Maar de discussie gaat niet over militaire steun, maar over politieke steun voor een oorlog. Hiervoor zijn geen criteria vastgelegd, ook niet in het regeerakkoord. Het is voor de toekomst wenselijk dat de regering alsnog hiervoor criteria formuleert. Doet zij dit niet, dan dient de Tweede Kamer zelf dit bij motie vast te leggen.

M. van den Doel was lid van de Tweede Kamer (1994-2003) voor de VVD en is defensiedeskundige.