NAVO in de aanval

De NAVO valt aan in Zuid-Afghanistan – en Nederland is er volop bij betrokken. Sterker: een Nederlandse generaal-majoor voert de plaatselijke troepenmacht van uiteindelijk 4.500 militairen aan, waarvan de eerste eenheden gisteren zijn begonnen aan het grootste geallieerde offensief in Afghanistan sinds de val van het Talibaan-bewind in het najaar van 2001. Doel ervan is de Talibaan-strijders uit de zuidelijke provincie Helmand te verdrijven. ‘Operatie Achilles’ is door omvang, westers prestige en mogelijke gevolgen een mijlpaal voor de NAVO én de Nederlandse krijgsgeschiedenis.

Het is verbazend hoe schijnbaar gelijkmoedig hier te lande de gebeurtenissen in Afghanistan worden ondergaan. Nederlandse troepen – luchteenheden en de zogeheten Tijgercompagnie van 11 Luchtmobiele Brigade – worden geacht een militair en ideologisch conflict van de eerste orde uit te vechten. Van ‘de vijand’ wordt in westerse media doorgaans weinig anders vernomen dan dat deze op steeds grotere schaal infiltreert in Zuid-Afghanistan en zich hardnekkig verzet.

4.500 NAVO-manschappen en bijna duizend Afghaanse militairen vechten dadelijk een verre, vreemde oorlog „tegen de Talibaan, drugshandelaren en anderen die proberen de Afghaanse regering te destabiliseren”, zo meldt de website van het Nederlandse ministerie van Defensie over Operatie Achilles. Het is oorlogsproza van alle tijden. Een andere kant van het verhaal is te vinden op websites van Afghaanse media. Een manier om de waarheid te benaderen over wat zich militair in het land afspeelt, is NAVO-informatie te vergelijken met wat in Afghanistan en elders in de regio wordt gepubliceerd.

Het beeld is diffuus. Ook de nieuwe militaire actie kan niet verhullen dat het succes van de buitenlandse troepenmacht op dit moment beperkt is. De veiligheidssituatie verslechtert en de politieke leiders van het land – president Karzai voorop – slagen er niet in om, met hulp van de NAVO, stabiliteit te bewerkstelligen. Net als in Irak dreigen de buitenlandse militairen eerder onderdeel van het probleem dan van de oplossing te worden, schreef onlangs historicus en Afghanistan-kenner Assem Akram in een bijdrage voor het online magazine Afghan Observer. Ze roepen weerstand op en trekken strijders aan zolang ze vechten, papavervelden vernietigen en niets of weinig aan wederopbouw doen.

De roep om meer buitenlandse troepen, te horen in Washington en sommige NAVO-landen, moet worden weerstaan. Uitbreiding is niet het antwoord, omdat dit voorbij gaat aan de essentie: Afghanistan moet zélf oplossingen aandragen. Assem Akram suggereerde als topprioriteit versnelde opbouw van een ‘robuust’ Afghaans leger van 150.000 man, en meer internationale druk op Pakistan teneinde de laisser faire-houding van dit land tegenover Talibaan-strijders aan te pakken.

Voorlopig gaan de ontwikkelingen een andere kant op: duizenden NAVO-militairen trekken ten strijde. De manschappen die dit werk doen, verdienen alle steun. Maar hun taak zou een andere moeten zijn. De internationale troepenmacht in Afghanistan dient weer te worden wat hij ooit was: handhaver van vrede en veiligheid, stevig gemandateerd maar beperkt in omvang.