Lobbyen in Brussel voor Limburg als energieregio

De Nederlandse provincies trekken in Brussel samen op, om Europees geld binnen te halen en invloed uit te oefenen. Om succes te hebben zijn een goede timing en het aansnijden van de juiste thema’s vereist.

Les één uit elk lobbyhandboek: kies het juiste moment. Limburg heeft dat goed begrepen. De provincie weet dat ‘Brussel’, oftewel Europa, het momenteel over weinig anders heeft dan over energie. En dus laat het persbericht van het provinciale bestuur weinig ruimte voor twijfel: „Nieuwe energie is booming en Limburg heeft alle kansen om uit te groeien tot een Europese ‘New Energy’- topregio.”

Komende vrijdag zal het allemaal nog eens duidelijk worden. Dan praten diverse deskundigen praten in Maastricht over, aldus opnieuw het persbericht, „de potenties van nieuwe energie in de Euregio”. Hoofdspreker is Europees commissaris Danuta Hübner, die een lezing zal houden over de relaties tussen nieuwe energie en regionaal beleid.

Op hun beurt zullen Limburgse bestuurders en ondernemers, maar dan minder in het openbaar, met Hübner praten. Haar aanwezigheid betekent toch weer een goede kans voor de provincie op aandacht uit Brussel. En aandacht, daar gaat het om. Opdat in Brussel doorsijpelt dat Limburg eigenlijk een modelregio is voor alle Europese ambities.

Jacqueline de Groot, lobbyiste van de Zuid-Nederlandse provincies in Brussel, trof zo’n jaar geleden de eerste voorbereidingen voor het bezoek. Ze legde contact tussen Joost Korte, de Nederlandse kabinetschef van commissaris Hübner, en gouverneur Léon Frissen van de Provincie Limburg. Of de commissaris niet langs wilde langskomen bij de volgende, in internationaal aanzien groeiende kunst- en antiekbeurs, die door het regionale bedrijfsleven wordt aangegrepen om aandacht op zichzelf te vestigen. Ook bij commissaris Hübner.

Het komt allemaal prachtig uit, zegt De Groot. „Limburg wil veel gaan ondernemen op het terrein van nieuwe energie en voor de Europese Commissie is energie tegenwoordig hét thema.” En dat de kabinetschef van Hübner een Nederlander is? De Groot: „Het zou natuurlijk niet moeten, maar het helpt wel.”

Ze zitten enigszins verstopt in de Brusselse Aduatukersstraat, tien minuten lopen van de Europese wijk: de twaalf lobbyisten van de Nederlandse provincies. Vanuit het ‘Huis van de Nederlandse Provincies’ worden sinds 2000 de belangen voor de diverse landsdelen behartigd. Het betrekken van het gezamenlijke kantoor maakte een eind aan het strikt gescheiden optrekken van de verschillende provinciale lobbyisten uit Nederland. Ze moesten wel samengaan, vertelt Rob van Eijkeren, Brussels vertegenwoordiger voor de provincies Gelderland en Overijssel en coördinator van het Huis van de Provincies. Het was pure noodzaak om overeind te blijven tussen het geweld van nog 239 regionale kantoren, uit andere Europese windstreken.

In het verleden ging het bij de provinciale lobby hoofdzakelijk om het binnenhalen van zoveel mogelijk Europees subsidiegeld voor regionale projecten. Maar tegenwoordig is dit slechts een van de taken. Dit komt vooral doordat Brussel niet meer zo veel geld over heeft voor rijke landen als Nederland. In de vorige Europese begrotingsperiode, die liep van 1999 tot 2006, viel er nog 3,5 miljard euro verdelen, maar voor de komende zeven jaar moeten de Nederlandse regio’s het doen met 1,7 miljard euro. Dit bedrag is bovendien voor een belangrijk deel voorbestemd: ruim 200 miljoen is gereserveerd voor grensoverschrijdende samenwerking met regio’s uit andere landen, 736 miljoen euro is apart gezet voor maatregelen om de economische structuur te versterken en een ongeveer even groot bedrag kan worden besteed aan allerhande scholingsprojecten.

De provinciale lobbyisten beschouwen het binnenhalen van structuurgelden nog altijd als het grootste succes van hun activiteiten. „Maar we halen niet meer alleen, we brengen ook”, zegt coördinator Van Eijkeren. De lobbyisten hebben de afgelopen jaren hun werk zien verschuiven naar het uitoefenen van invloed op Europese wetgeving. Milieumaatregelen, waarmee provincies steeds meer te maken hebben, zijn voor zestig tot tachtig procent afkomstig uit Brussel: waterrichtlijnen, een richtlijn voor de luchtkwaliteit, bodemrichtlijnen en binnenkort ook geluidsrichtlijnen. De provinciale vertegenwoordigers proberen in de voor hun regio’s van belang zijnde comités van deskundigen te komen. Of ze sluiten coalities met regio’s uit andere landen met soortgelijke belangen.

En dan is er nog het Europees Parlement, dat over tal van onderwerpen steeds meer te zeggen krijgt. De Oostenrijkse europarlementariër die hoofdverantwoordelijke werd voor een rapport over de kwaliteit van het zwemwater, kon rekenen op bezoek van enkele Nederlandse lobbyisten. Of hij er rekening mee wilde houden dat de Nederlandse delta niet dezelfde waterkwaliteit kon bieden als de stromende beekjes in de Oostenrijkse Alpen.

Voor de Spaanse en de Italiaanse europarlementariër die allebei een rapport over de bodemrichtlijn moesten schrijven, werd een notitie met het standpunt van de Nederlandse provincies opgesteld. Vanzelfsprekend in het Spaans en Italiaans.