Groen tanken bij boer of supermarkt in Frankrijk

In Frankrijk rijdt menigeen op koolzaadolie. Onder Franse automobilisten is puur plantaardige olie voor hun auto populair geworden.

Tot een half jaar geleden sleepte Alexandre, een vlotte dertiger met een vlotte BMW, een deel van zijn brandstof uit de supermarkt aan. Twintig flessen olie, goed voor bijna een derde van zijn tank diesel. De maximale geoorloofde dosis. Goedkoop, en goed voor het milieu. Dat wil zeggen: zijn auto stoot minder vervuilende uitlaatgassen uit. Maar al die lege plastic flessen moet je weggooien. En dat vond Alexandre „niet echt ecologisch”. Daarom gaat hij nu naar de boer. De natuurlijke olieboer. Een die puur plantaardige olie verkoopt, brandstof gewonnen uit koolzaad. „Het ruikt een beetje naar frituur, maar dat went”, vertelt Alexandre. „En die geur is aangenamer dan die van diesel.”

Puur plantaardige olie is in de mode in Frankrijk. Cijfers ontbreken, maar sinds de stijging van de olieprijzen in 2004 kopen almaar meer Fransen brandstof in de supermarkt of bij de boer.

Christian Hubert (31) is een van de boeren die de olie maken. Hij heeft in zijn schuur in het gehucht La Couperie, gemeente Beynes, ruim twintig jerrycans van de olie klaarstaan. Gewonnen met behulp van een eenvoudige pers in een scheepscontainer. De kleine balletjes koolzaad leveren geperst een zoetige lucht op. Een derde van het residu is olie voor de biobrandstof. Twee derde levert een soort koek op, die de veehouders in de buurt volgens Hubert „graag kopen”. Maar in omzet zijn de verhoudingen evengoed omgekeerd: de olie is met 75 procent per liter twee keer zoveel waard als de veekoek.

De populariteit van de plantaardige olie is een van de meest beeldende bewijzen voor de groeiende belangstelling voor biobrandstoffen in Europa. De Europese lidstaten beslisten vorige maand dat het aandeel van biobrandstoffen in 2020 moet zijn opgelopen tot 10 procent – nu bedraagt het ongeveer 2 procent van de totale hoeveelheid brandstoffen. Frankrijk heeft zijn eigen schema.

Hubert begon zijn onderneming in 2005, toen de stijging van de olieprijzen onrust onder de Franse consumenten veroorzaakte. Al tien jaar bestudeerde de landbouwkundig ingenieur mogelijkheden om op het boerenbedrijf van zijn ouders zelf afgewerkte producten te gaan maken, in plaats van alleen grondstoffen te verkopen.

Nog steeds is Hubert doordeweeks ICT’er in Parijs. Maar in zijn vrije tijd werkt hij aan de transformatie van het familiebedrijf ten zuidwesten van Parijs. Van oorsprong verbouwen zijn vader en hij met twee anderen op hun 300 hectare vooral maïs. Sinds een paar jaar groeit het aandeel van koolzaad, voor biobrandstof. Hubert droomt er van uit te groeien tot een industrieeltje, met een eigen netwerk van pompen die puur plantaardige olie tanken. „Het doel is dat straks alle boeren in de omgeving koolzaad naar mij toebrengen.” Nu zijn het er nog een „tiental”. Maar hij heeft al reservoirs in aanbouw om met grotere persen te werken.

Biobrandstoffen zijn ook een populair thema in de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen van april.

[Vervolg groene brandstof: pagina 16]

Zelfs oliegigant Total gaat in biodiesel

De groene kandidaten, maar ook de favorieten Nicolas Sarkozy en Ségolène Royal, zien biobrandstoffen als een ideale oplossing: goed voor het milieu, goed voor de landbouw en goed voor het streven naar energetische onafhankelijkheid. Volgens runner-up François Bayrou, zelf boer, zijn biobrandstoffen dé kans voor de Franse landbouw om zich weer een nieuwe economische toekomst te verschaffen. Op de jaarlijkse Landbouwsalon in Parijs waren biobrandstoffen dit jaar het centrale thema.

Betreedt de Franse landbouw een nieuw tijdperk, als producent van relatief schone brandstoffen? Er verschijnt twijfel op het gezicht van Christian Hubert, wanneer hij in de middagpauze in Parijs zijn vis verorbert. De bekering van de politieke leiders, daar gelooft hij niet in. „Ze maken hun keuzen op grond van wat de industrie het beste uitkomt.” Hij wappert met statistieken die laten zien dat Puur Plantaardige Olie echt de minst vervuilende brandstof is. Maar de losse verkoop ervan aan particulieren is officieel verboden in Frankrijk. Sinds 1 januari mogen boeren er wel in handelen, maar alleen onderling. Sinds een rechterlijke uitspraak deze maand mogen nu ook gemeenten hun auto’s op de olie laten rijden.

Dat is niet zonder reden, zegt Fabien Kay van de branche-organisatie van de olieplantenindustrie Proléa. De grotere verwerkende bedrijven in de sector hebben in 2005 ook met de olie geëxperimenteerd, maar stuitten op tal van problemen, waaronder het mogelijk vrijkomen van een kankerverwekkende stof. Controle op de thuisgemaakte brandstoffen is moeilijk, en de voertuigen die er op rijden moeten zorgvuldig en regelmatig worden gecontroleerd. „Boeren laten ook alleen oude tractoren erop rijden”, zegt Kay. Fabrikanten stellen zich niet garant voor de schade die de olie veroorzaakt wanneer zij niet voldoende vloeibaar is. Dat kan vooral bij lage temperaturen gebeuren. Christian Hubert is zich daarvan bewust: nooit meer dan dertig procent, tenzij de motor aangepast is. Hij is voorzichtig met zijn klanten. „Als ik een bord langs de weg zou zetten, had ik een rij staan. Maar dat mag niet.”

Toch was de plantaardige olie niet de enige uitweg voor Hubert. Net als in Nederland gaat in Frankrijk de meeste aandacht uit naar bio-ethanol, een biobrandstof op basis van graan, rietsuiker of suikerbieten die geschikt is voor benzinemotoren. Minister van Economie Thierry Breton poseerde vorig jaar naast – toen nog – een neppomp met E85, een mengsel van 15 procent benzine en 85 procent bio-ethanol, dat in Europa wordt gewonnen uit graan en suikerbieten. Nu gaan er elke week wel een paar pompen open in het land. Eind dit jaar moeten er 500 zijn.

Hubert kan ook toeleverancier worden van bio-ethanolproducenten, maar daar voelt hij niet voor. In Brazilië wordt bio-ethanol gemaakt wordt op basis van suikerriet. Dat is volgens de expert zowel ecologisch als economisch veelbelovender. „Waarom zouden wij dan hier een nieuwe markt gaan opzetten voor een minder goed product?”

De kritiek op de nadruk van bio-ethanol komt van meerdere kanten. Vorige maand keerde consumentenorganisatie UFC Que Choisir zich tegen het regeringsbeleid dat zij „onevenredig optimistisch” noemt over bio-ethanol. Het steunen van Europese bio-ethanol zou vooral een steunmaatregel zijn voor de Franse graansector, terwijl de klant zowel ecologisch en economisch beter af is met biodiesel. Bio-ethanol kan uit Brazilië worden geïmporteerd.

Pascal Hurbault, woordvoerder van de AGBP, het Franse syndicaat van graanproducenten, geeft toe dat het economisch perspectief voor de Franse landbouw belangrijk is. „De productie van biobrandstof is voor de graanboeren een belangrijke nieuwe afzetmarkt.” Maar dat wil niet zeggen dat er geen ecologisch rendement is – en dat zal met de nieuwe generatie biobrandstof alleen maar verbeteren, voorspelt hij (zie: Koolzaad en zonnebloemen in opkomst). „Wij hebben nooit gezegd dat biobrandstof de enige oplossing is, maar waarom zou je deze oplossing negeren?”

Bij olieplantorganisatie Proléa wordt met een enige jaloezie gekeken naar de „marketingoperatie” die de regering heeft georganiseerd voor de graanproducenten met de lancering van E85-pompen. Maar een tegenstelling met de ontwikkeling van biodiesel ziet Fabien Kay van Proléa niet. „Biodiesel via aparte pompen verspreiden is kostbaarder en ingewikkelder. Wij hebben gekozen voor de meest efficiënte manier door biodiesel te mengen in klassieke diesel. Nu mag maximaal vijf procent biodiesel in diesel worden gemengd zonder dat pomphouders dat hoeven te zeggen. Straks gaat dat percentage omhoog. Volgens Prolea is gemiddeld 1,5 procent van een tank diesel in Frankrijk biobrandstof. Maar dat aandeel zal groeien. Er komen steeds meer biodieselfabrieken in het land. Zelfs oliegigant Total heeft enkele weken geleden de bouw aangekondigd van een fabriek voor biodiesel in het noorden van Frankrijk.

Biobrandstofklant Alexandre vindt het aandeel biodiesel voorlopig nog te laag. Misschien dat hij ooit een benzineauto aanschaft waarmee hij op E85 kan rijden. Maar voorlopig is hij tevreden met zijn jerrycan plantaardige olie. Twintig liter voor 15 euro. „Dat scheelt me vijf euro per tank”, zegt Alexandre. En zo is hij ook „een beetje rebel”. Want „die vijf euro gaan niet naar de staat, niet naar de brandstofindustrie. Die krijgen al genoeg. Ik steun liever direct een boer.”