Een jaloerse gnoom

Voorbije zaterdag heeft de Belgische sprintster Kim Gevaert voor de derde keer op rij een Europese gouden medaille op de zestig meter behaald. Haar zevende internationale goud is dat.

Nooit gedacht dat ik een column zou beginnen met wat sportverslaggeving. Altijd heb ik sportpagina’s opgevat als een nogal spilzieke manier om aan te duiden dat de krant als uitgelezen kan worden beschouwd. Tegenwoordig weet ik mij wel eens geboeid door een atletieknieuwtje. Het zou kunnen dat deze even minieme als verrassende uitbreiding van mijn interesseveld voortspruit uit de hardloopverslaving die ik mezelf het afgelopen half jaar heb bezorgd. Ook de uiterlijke gelijkenissen tussen Gevaert en mijzelf die verschillende mensen in mijn omgeving met mijn goedkeuring menen te ontdekken, kunnen er iets mee te maken hebben (het gaat bij die vergelijking voornamelijk om ogen en enkele gelaatstrekken, in mindere mate om spiermassa). Hoe dan ook, als Gevaert voor de zoveelste keer zielsgelukkig met een Belgische vlag om de schouders geslagen een ereronde loopt, maakt dat mij blij.

Niet het minst omdat zij op die manier telkens bewijst dat Ivan Sonck, gewezen atletiekjournalist van de VRT, hobbyistisch loper en, zo bleek, boosaardige gnoom, haar niets kan maken. Meneer Sonck heeft nochtans jarenlange inspanningen geleverd om Gevaert te compromitteren en om haar prestaties te minimaliseren. ‘Relativeren’, noemt hij dat alles zelf.

In 2002 achtte hij een Europese medaille voor de atlete ‘niet realistisch’ en hij voegde er onheilspellend aan toe: „Als Kim de absolute top wil behalen, kan dat bijna niet zonder dingen die verboden zijn.”

Omdat Gevaert vervolgens de ene na de andere medaille won, ontwikkelde Sonck gaandeweg een vurige passie voor het woord ‘overroepen’ en insinueerde hij steeds vaker dat er doping in het spel was. Gefrustreerd over een gebrek aan aanwijzingen, laat staan bewijzen hieromtrent, begon hij te zeuren over verkeerde tijdopnemingen en mankerende windmetingen. Hij maakte zich, kortom, in toenemende mate belachelijk en haalde zich de woede van duizenden atletiekfans op de hals, met een paar overdreven reacties als dreigbrieven en petities tot gevolg. In de zomer van vorig jaar bereikte de hetze een hoogtepunt, in december schreef hij zijn laatste sportcolumn voor De Standaard, die hij besloot met de even bittere als lachwekkende woorden: „Eind januari worden nog de Gouden Spikes toegekend. Wie weet kan ik me dan voor de eerste keer in 2007 opnieuw flink laten gaan. Volgers van de vrouwenatletiek begrijpen perfect wat ik bedoel...”

We hebben hem daarna niet meer gehoord. Een voordeel van intens jaloerse mensen die verblind raken door hun ongelijk, is dat zij in de meeste gevallen vóór hun doelwitten sterven of verdwijnen. Even kwam hij nog bovendrijven toen hij wilde schitteren in een dopingschandaal uit de wielerwereld, maar erg memorabel was dat niet.

Meneer Sonck kent vele equivalenten in de literaire wereld. Het blijft merkwaardig hoeveel tijd en energie er bij sommigen vrijgemaakt kan worden, hoe diep en gedreven men in de onwelriekende poel van eigen frustraties, mislukkingen en onzekerheden wil graven naar aanleiding van iemands succes. Wellicht is het ook vanuit een paar onsmakelijke ervaringen met Ivanachtigen in mijn eigen beroepswereld dat ik Kim Gevaert een warm hart toe draag. En meneer Sonck, die zal ik mij sporadisch herinneren als de man die meer relativeerde dan hij dacht.