Dood, dood en even leven

Langere dagen, jonge eendjes: nrc.next plaatst het fenomeen ‘lente’ in het aardse bestaan (en daarbuiten).

Vandaag: poëzie

In de lente voelt de dichter zich in het verkeerde seizoen. De herfst, meent dichter Ingmar Heytze, is het favoriete poëtische jaargetijde.

„Eindelijk gedraagt de wereld zich een paar maanden zo verward, verwaaid en onvoorspelbaar als de dichter zich het hele jaar door voelt”, schrijft de Utrechtse dichter in de inleiding van de bloemlezing Het geluid van de lente (2001). „En het is in Nederland bijna het hele jaar herfst”, licht Heytze telefonisch toe. „Daarom zijn er ook zo verdomd veel dichters in dit dorre landje.”

Niet dat de lente dichters koud laat. ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ schreef Herman Gorter al in Mei (1889). Het ruim 4.000-regelige epos is vermoedelijk het bekendste Nederlandse lentevers. De eerste regel althans. Schrijver Willem Frederik Hermans wijt dat in Boze Brieven van Bijckaert aan die eerste zin: ‘Tot overmaat van ramp was de eerste regel van Mei zo sterk, dat hij de hele rest van het gedicht (een boekdeel) overbodig maakte.’

Hoe klinkt de lente? Bij Gorter als ‘gefluit’. Maar in meer recente poëzie doorgaans behoorlijk somber, blijkt uit Het geluid van de lente. Jan Wolkers bezingt de Valse lente: ‘Men tilt een blad op en daar staat geschreven / In een taal die slechts de wormen is gegeven, / Dood, dood, en nog eens dood, en even leven.’ Hanny Michaelis is al even somber: ‘Het is gruwelijk. / Alles begint opnieuw / alsof er niets / gebeurd was. / In stekelige takken / kabaal van vogels. / Piepend en krassend zet / het voorjaar in.’

Het verbaast dichter Ingmar Heytze niet. Hij noemt de lente nu eenmaal een wat „verdachte aanleiding” voor poëzie. „Lente is als een primaire kleur. Die is er al. Je moet er een en ander bijslepen om het interessant te maken.” Heytze zoekt het – net als veel andere dichters – liever in tegenstellingen. Het gedicht De mei van Heytze opent met: ‘De kievit baltst zijn hoogste vlucht. / Het slachtvee dartelt in de zon’. Hij droeg het lentevers ook op aan een tragi-komische collega-dichter: „Een treurbeuk als Lévi Weemoedt past geweldig bij zo’n onderwerp. Dat je juist hem laat rondkruipen in een lentegedicht, dat geeft contrast.”