De weg naar Europa

In een bedachtzaam essay afgelopen zaterdag in het magazine M van deze krant, herinnerde de historicus H.L. Wesseling er nog maar eens aan: naties zijn scheppingen van de geest, „ze zijn, om zo te zeggen, ‘geconstrueerd’.”

In Nederland is via het onderwijs, via de kansel en via de overheden het vaderland geconstrueerd. De burger werd gemoraliseerd als deelnemer in de publieke zaak, in het vaderland – het woord kreeg een nieuwe betekenis. Dat is in grote lijnen in de achttiende eeuw gebeurd met biddagen als vehikel om de burgerij deugd en vroomheid jegens de publieke zaak bij te brengen.

Het wordt vaak vergeten wanneer de vaste riedel over de onbereikbaarheid van een Europese democratie wordt afgedraaid: er is geen Europees volk, geen Europese taal, geen gedeeld verleden. Dat is allemaal waar, maar dat mag niemand op het idee brengen dat dit bij natiestaten anders was. Omstandigheden leidden tot hun vorming en ontwikkeling, het zijn geen van God gegeven, eeuwige constructies.

Iets vergelijkbaars doet zich voor met de term ‘soevereiniteit’. De nationalisten in het Europadebat wekken graag de suggestie dat verdere integratie verdere uitholling van soevereiniteit betekent. Maar soevereiniteit is een bedrieglijk begrip want het suggereert iets absoluuts – baas in eigen huis – wat zo niet bestaat. Het idee dat ‘soevereiniteit wordt weggegeven’ kan je in het debat op het verkeerde been zetten. Neem het voorbeeld van de euro. Vóór die er kwam, was Nederland geheel en al afhankelijk van de Duitse munt – de mark. Toen de gulden werd ‘ingeleverd’ gebeurde er in feite niets anders dan dat Nederland voortaan een beetje mee mocht gaan praten over zijn munt, waar het tot dan toe afhankelijk was geweest van wat de Duitse muntbeheerders in Frankfurt op donderdagochtend besloten (rente omhoog, rente omlaag).

Met andere woorden: er werd helemaal niets ingeleverd, er werd een nieuwe modus gevonden om betrokkenen te raken bij iets waarover Nederland al lange tijd praktisch niets meer te zeggen had. Dat geldt voor heel veel terreinen. Neem de gezondheidszorg. Iedereen beweert nu dat dit een nationale zaak is (soevereiniteit), niet iets voor Europa. Dat is steeds minder waar. Operaties, diagnoses, medicijnen – je ziet ze zich elk jaar minder van landsgrenzen aantrekken en wie dat niet gelooft moet eens een modern ziekenhuis in Azië binnenwandelen.

Nu is identiteit een kwestie van gevoel, van emotie, van onberedeneerde reflexen. Mensen zijn bang voor veranderingen. Herman Wijffels had het na afloop van zijn laatste klus over de noodzaak om „zelfvertrouwen te ontlenen aan dynamiek”, maar dat is toch voorlopig vooral mooi gezegd.

Europa staat voor verandering, de natie voor behoud, aldus een gangbaar misverstand. En anders dan China of India is Europa ook nog iets waar burgers wat over te zeggen hebben. Dus is er euroscepsis. Misschien is er ook wel Chinascepsis, maar daar kun je niets mee want de Chinezen komen hier niet per referendum vragen of ze zo door moeten gaan.

Nederland is intern verdeeld over Europa. De nationalisten zijn er altijd geweest. Zowel links als rechts. De Pronkianen hadden niets met Europa, want voelden zich verbonden met de Verenigde Naties en de hele wereld, zolang het maar niet Europa hoefde te zijn. De atlantici zochten hun heil in de NAVO, die voor ons land ook wel gold als de voortzetting van de vooroorlogse neutraliteit met andere middelen. Het legitimeerde een bestaan met de rug naar Europa.

In het nieuwe kabinet zitten ze bij elkaar – nationalisten en Europeanen. De protestants-christelijken houden vanzelfsprekend aan het vaderland als morele context van een gemeenschap vast, want elke andere context betekent verlies van signatuur. De ex-columnist Ronald Plasterk is een goed voorbeeld van het moderne nationalisme. Hij is schrander en onbevangen en propageert dat ‘wij graag onze eigen boontjes doppen’. Samenwerking ‘ja’, inlevering van soevereiniteit ‘nee’.

Aan de andere kant is er premier Balkenende die een tijdje op zoek ging naar verbindende waarden in Europa in de terechte veronderstelling dat economie alleen niet verbindt. En er is ook een staatssecretaris voor Europese Zaken die zijn hart aan Europa heeft verpand en zichzelf omwille van een baantje niet zal willen verloochenen.

De uitkomst van dit coalitiemengsel zal wel zijn: Europa – met mate.

Je kunt betreuren, zoals alom wordt gedaan, dat de Nederlandse invloed in Europa afneemt. Die invloed is ook afgenomen en het is ook jammer, maar anderzijds: wat heeft de rest van Europa aan een lidstaat die niet zo goed weet wat hij wil? En omgekeerd, wat zou Nederland nu met invloed willen doen?

Gelukkig is Europa ook niet van Nederland afhankelijk.

Beetje mijmeren mag ter gelegenheid van Vijftig jaar Verdrag van Rome: Europa – waarschijnlijk allereerst een kern – ontwikkelt zich geleidelijk tot een gemeenschap, waarbinnen de burgers zich ook verbonden voelen met een Europese publieke zaak met „een goed functionerend publiek domein en een gedeeld waardenbesef” – om even de termen te lenen die het regeerakkoord voor Nederland reserveert.

Je ziet het dagelijks gebeuren in de discussies die in Europese landen worden gevoerd. Van hoofddoekjes tot euthanasie, van hedgefondsen tot pensioenleeftijd zie je vergelijkbare opvattingen en sentimenten, vergelijkbare referentiepunten en zorgen.

Tegenstanders hebben het vaak over een trein genaamd Europa, die maar door raast. Zo is het in zekere zin ook, want van het een komt het ander. Maar je moet zo’n nieuwe publieke ruimte ook willen bouwen, zoals enkele eeuwen terug ook is gebeurd met de goede, oude, vertrouwde natiestaat.