Terreur in Azië vaak door diffuse groepjes

Australië is nog altijd bang voor een terroristische aanslag op eigen bodem. In Jakarta sprak het met zijn buurlanden over de terreurorganisaties in Zuidoost-Azië.

Een paar weken geleden stond de beruchte geestelijk leider Abu Bakar Bashir voor het presidentiële paleis in Jakarta. De kleine man met het antieke brilmontuur en de grote, dikke glazen was ondanks zijn kleine postuur niet te missen: temidden van een groepje luidruchtige volgelingen was de veroordeelde schriftgeleerde onmiskenbaar hun leider. De groep eiste invoering van een islamitische grondwet in Indonesië en een gesprek hierover met de president, die overigens niet-thuis gaf.

De scène was, tenzij het hier een geniale cover-up betrof, geruststellend: de man die tweeënhalf jaar achter de tralies zat wegens aansporing tot terroristisch geweld, maakte voor iedereen zichtbaar gebruik van zijn recht om te betogen. Het tafereel was van een andere orde dan de prediking achter gesloten deuren in zijn islamitische school, waar niet toevallig de meeste jeugdige betrokkenen bij de bomaanslagen op Bali in 2002 vandaan kwamen.

Toen Bashir enkele maanden geleden werd vrijgelaten, irriteerde dit de Australische autoriteiten zeer. Zij begrepen niet dat de geestelijk leider van de terroristische organisatie Jema’ah Islamiyah zo vlot weer aan de slag mocht. Voor de Indonesische rechters daarentegen lag het anders: Bashir had weliswaar anti-westers, fundamentalistisch gedachtengoed verspreid en aangezet tot geweld, maar feitelijke betrokkenheid bij de bomaanslagen was niet bewezen.

Het ongrijpbare snijvlak tussen islamitisch radicalisme en terrorisme is het onderwerp van een conferentie die Australië dezer dagen met zijn Zuidoost-Aziatische buurlanden in Jakarta houdt. Ministers en politiechefs uit Australië, Indonesië, Singapore, Maleisië, de Filippijnen en Thailand zoeken naar wegen om vervreemde jonge moslims op het rechte pad te houden en de Abu Bakars de pas af te snijden. Australië financieert via AusAid onder meer een aantal islamitische scholen in de regio en probeert zo een matigende invloed in het godsdienstonderwijs uit te oefenen.

De terroristische organisaties in deze regio hebben over het algemeen een diffuus karakter. Behalve Jema’ah Islamiyah is in het islamitische zuiden van de Filippijnen een groep rond Abu Sayyaf actief, die geregeld met aanslagen en ontvoeringen van zich doet spreken. Het gaat daarnaast om kleine groepjes activisten, niet zelden familie van elkaar, die spontaan kunnen ontstaan naar aanleiding van een conflict. Zo zijn er op gezette tijden moordpartijen tussen christenen en moslims in het midden van Sulawesi. Op het ogenblik staat een groepje jongelui terecht dat ruim een jaar geleden drie christelijk meisjes onthoofdde bij wijze van religieus offer.

Uit dit type animositeit kunnen gemakkelijk terroristische cellen groeien met grotere ambities, aldus de politiechef van Sulawesi, generaal Aryanto Budihardjo: „We hebben samenwerking met de naburige Filippijnen en met Australië nodig om te vermijden dat Sulawesi een kruispunt voor terroristen en drugshandel wordt.”

Desondanks was de laatste aanslag op westerlingen in Indonesië anderhalf jaar geleden, in oktober 2005 op Bali. Hoewel de dreiging niet weg is, zien de deelnemers aan de conferentie een veelbelovende ommekeer. De Australische minister van Buitenlandse Zaken Downer: „Heel opmerkelijk zien wij een afnemende steun van het publiek voor terrorisme en extremisme in Indonesië. De wereld heeft daar nog te weinig oog voor.”