Syrisch regime vaster in het zadel

Twee jaar geleden voorspelde de Syrische dissident Bounni dat in Syrië democratisering eindelijk op gang zou komen. Maar die voorspellingen zijn niet uitgekomen. En Bounni zit in de gevangenis.

Zo’n twee jaar geleden nog gaf opposant Anwar al-Bounni een opgetogen interview aan deze krant. Het was in de periode na de moord op de Libanese ex-premier Rafiq Hariri in Beiroet in februari 2005. Steeds meer beschuldigende vingers wezen naar Syrië. En daardoor, aldus Bounni toen, verzwakte het regime. „De mensen zijn niet meer bang voor het regime zoals in het verleden”, zei Bounni. „Wellicht dat de democratisering van Syrië nu eindelijk op gang komt.”

Helaas voor Bounni zijn zijn woorden niet uitgekomen. Het regime van de Syrische president Bashar al-Assad oogt sterker en zelfverzekerder dan ooit en Bounni zelf zit in de gevangenis. „Ze beschuldigen hem ervan dat hij valse informatie heeft verspreid”, zegt Ammar Qurabi, mede-opposant en lid van het team dat Bounni verdedigt. „Als hij schuldig wordt bevonden krijgt hij op zijn minst drie jaar cel”, zegt Qurabi, „Misschien wel vier of vijf.”

De zaak-Bounni is een goed voorbeeld van hoe non-transparant de politieke situatie in Syrië is geworden. „Je kunt veel meer zeggen dan vroeger”, aldus Qurabi. „Maar er zijn rode lijnen en als je die overschrijdt, keert het systeem zich tegen je.”

Bounni stond bekend om zijn kritiek op corruptie in Syrië en hij schreef zelfs een voorstel voor een nieuwe grondwet. Maar volgens Qurabi kwam hij niet daardoor in de gevangenis. „Hij gaf een interview met een krant in Qatar waarin hij zei dat iemand in de [Syrische, red.] gevangenis om het leven was gekomen door marteling.” Volgens de Syrische autoriteiten was de persoon in kwestie om het leven gekomen door een hartaanval. „In dat interview overschreed Bounni de rode lijn”, zegt Qurabi ironisch. „In dit land wordt niet gemarteld.”

Bounni was niet de enige opposant die werd aangepakt. Michel Kilo, die in interviews met de media geen blad voor de mond nam, werd ongemoeid gelaten tot hij schreef over een bezoek aan Lattakia. In het centrum van de stad wonen vooral sunnieten maar de dorpen rond Lattakia zijn de thuishaven van de alawitisch-shi’itische elite die het al tientallen jaren voor het zeggen heeft in Syrië.

„Kilo schreef een artikel over overlijdensadvertenties en hij noemde noch sunnieten noch alawieten”, aldus Qurabi. Maar de goede verstaander had maar een half woord nodig. De overledenen in het centrum van de stad (lees: sunnieten) hadden over het algemeen een goede opleiding maar geen macht, schreef Kilo, die uit de dorpen daarentegen (lees: de alawatische elite) had weinig opleiding maar bekleedden wel hoge functies in het staatsapparaat. Ook hij overschreed een rode lijn. „Je kunt in Syrië niet praten over de machtsverdeling tussen de verschillende gemeenschappen”, aldus Qurabi.

En zo lijkt het Syrische regime opnieuw vast in het zadel te zitten. Na de moord op Hariri werd er in de Verenigde Staten openlijk gesproken over regime change in Syrië. President Bush en de zijnen lieten toen keer op keer weten dat het zo niet verder kon in Syrië. Maar de tijden zijn veranderd.

De Verenigde Staten richten hun aandacht dezer dagen vooral op Iran en lijken – na de oplopende dodentallen en chaos in Irak – terug te schrikken van verdere militaire avonturen in de regio met een ongewisse afloop. Vorige week werd bekend dat Washington ermee had ingestemd deel te nemen aan een conferentie in Bagdad waar ook Syrië en Iran zullen zijn, en bilaterale contacten worden niet uitgesloten.

„Ik denk dat het Westen een grote leugenaar is”, zegt Qurabi. „Ik heb nooit geloofd dat het Westen echt bezorgd was om de mensenrechten in Syrië.” En dus heeft de Syrische opposant de dreigementen uit de diverse hoofdsteden van zo’n twee jaar geleden nooit serieus genomen. „De Europese Unie heeft 500.000 euro beschikbaar gesteld voor democratisering in Syrië”, zegt hij. „Wij kregen geen cent, Brussel heeft dat geld allemaal gegeven aan organisaties die bij de regering horen.”

Toch denkt Qurabi dat de positie van het regime aanzienlijk is verzwakt. In Damascus slaagden de Palestijnse organisaties Fatah en Hamas er niet in een akkoord te sluiten, maar in Saoedi-Arabië lukte dat wel. „Het Syrische regime is daar woedend over”, aldus Qurabi. En dan Iran. Syrië en Iran waren altijd bloedbroeders maar Iran, aldus Qurabi, begint tot ergernis van Damascus een steeds onafhankelijker koers te varen. Ook de positie van Syrië in Libanon wankelt. Damascus steunt Hezbollah dat grote protestacties is begonnen tegen de regering van Siniora. „Maar de sympathie van de hele wereld ligt bij Siniora”, zegt Qurabi. De shi’itische Hezbollah maakte ook de grote fout door de executie van Saddam Hussein in Irak al te luidruchtig te verwelkomen. „Syrische sunnieten hadden sympathie voor Hezbollah maar dat is nu minder omdat sunnieten de executie van Saddam schandelijk vonden”. En Turkije, volgens Syrië een goede bondgenoot, flirt weer meer dan ooit tevoren, vindt Qurabi, met Israël.

Maar dat alles zinkt volgens hem in het niet bij de strafvervolging naar aanleiding van de moord op Hariri. Qurabi wordt boos als hij geconfronteerd wordt met de opmerking dat er weinig vorderingen worden gemaakt met het tribunaal dat de verdachten moet berechten. Vroeg of laat zal de internationale gemeenschap besluiten tot sancties tegen Syrië, denkt hij, en dat zal het regime daar raken waar het echt pijn doet: in de portemonnee. „Wij zouden willen dat de tegoeden van het regime worden bevroren”, zegt Qurabi. „Daar zijn ze bang voor.”