Samen werken

Het wordt krap op de arbeidsmarkt. De eerste leden van de naoorlogse generatie, de babyboomers, verlaten het werkzame bestaan en hun aantal zal de eerstvolgende jaren alleen maar toenemen. Tegelijkertijd maakt de economie een periode van hoogtij door, na de magere jaren aan het begin van deze eeuw. Het gevolg is dat de verhouding tussen werkzoekenden en beschikbare banen sinds 1970 niet meer zó krap is geweest als nu. Er ontstaat een fors tekort aan werkenden.

Dat iedereen die daartoe in staat is ook zou moeten werken, is op zichzelf geen wet. Dat moeten de burgers zelf uitmaken, zolang zij daar ook maar zelf de financiële consequenties van dragen. Maar in groter verband is de noodzaak er wel: de kosten van de verzorgingsstaat, die stijgen met de uitgaven aan de gepensioneerden, vergen dat het draagvlak zo breed mogelijk is. Hoe meer arbeidsuren er worden gemaakt, hoe gezonder de verhouding tussen actieven en niet-actieven blijft.

Afgelopen zaterdag maakten drie vooraanstaande economen zich in deze krant met reden zorgen over de plannen van het nieuwe kabinet in dit verband. De levensloopregeling zoals die nu is gepland, nodigt uit om te sparen voor een vervroegde uittreding tegen het einde van het werkzame bestaan. Dit betekent dat, ondanks de afschaffing van de VUT door het vorige kabinet, nog steeds veel ouderen het arbeidsproces vroeg zullen verlaten. De voorgenomen verlaging van de verplichte herkeuringsgrens voor WAO’ers van 55 jaar naar 45 jaar kan betekenen dat veel mensen die wellicht weer in staat zijn om te werken, voorgoed langs de kant staan. En de overdracht van de belastingkorting van een niet-werkende partner aan de werkende partner wordt te langzaam, in twintig jaar, afgebouwd. Deze ‘aanrechtsubsidie’ blijft daarmee nog lang een beloning voor niet-werken.

Het is terecht dat het kabinet in de regeringsverklaring wees op de noodzaak om de tekorten op de arbeidsmarkt aan te pakken. In het regeerakkoord wordt dan ook de nadruk gelegd op het bevorderen van de arbeidsparticipatie; daar is 1,2 miljard euro voor uitgetrokken. Nog voor de zomer wil het kabinet een zogenoemde participatietop organiseren met werkgevers- en werknemersorganisaties. Maar de balans tussen ‘samen werken en samen leven’ blijkt toch lastig te vinden. Het lijkt sociaal om financiële prikkels te geven die het mensen mogelijk maken om niet of korter productief te zijn. Maar uiteindelijk zal er een welvaartsstijging nodig zijn om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden.

Nederland verkeert in de benijdenswaardige positie dat het een van de hoogste productiviteitsniveaus ter wereld combineert met een van de grootste hoeveelheden vrije tijd en een relatief gulle verzorgingsstaat. Maar de demografische ontwikkeling zit nu eenmaal tegen. Om verdere welvaartsstijging mogelijk te maken, is een verdere stijging van de productiviteit niet genoeg. Het vergt ook meer gewerkte uren van de burgers die daartoe in staat zijn.