Rie-set

Hoe had ik het nou?

Altijd was de copyrette voor mij een oase van rust geweest, waar ik gedachteloos voor tien eurocent per stuk mijn kopieën kon maken op een van de vijf grote apparaten tegen de muur. Vervolgens nam ik die kopieën mee naar huis om ze daar tevreden op te bergen in een mapje dat ik nooit meer zou inkijken. Orde moet er zijn, ook als hij zinloos is.

Maar vandaag was er iets vreemds aan de hand in mijn copyrette, achter mijn rug klonken geprikkelde stemmen op die de sfeer verontreinigden. Ik zag aan de toonbank een kleine, oudere dame staan, de rug stijf en recht van verontwaardiging. Tegenover haar de lome weerstand van een jonge, mannelijke winkelbediende die deed alsof hij van de prins geen kwaad wist.

„Dit klopt absoluut niet”, zei de dame. „Ik wil één kopie maken en er komen er drie uit.”

„Dan zult u er ook drie moeten betalen”, zei de man.

„Als ik er maar één nodig heb? Kan ik het helpen als er drie uitrollen?”

„U moet de machine zó instellen dat er één uitkomt als u er maar één nodig heeft. Dan is er niets aan de hand.” De man zei het met korzelige boosaardigheid, als iemand die vindt dat hij voor vandaag al genoeg gezanik aan zijn hoofd heeft gehad.

De dame schudde heftig het hoofd. „Zó gemakkelijk komen jullie niet van mij af. Ik kom hier al jarenlang en nooit is me zoiets gebeurd. Het gaat me niet om het geld, die paar dubbeltjes, maar om het principe. Jullie doen je werk niet goed en je laat er míj voor opdraaien.”

„Wat deden we dan verkeerd?”

De dame liep naar een van de kopieerapparaten en kwam daarbij gevaarlijk dicht in mijn buurt. „Je kunt als klant nooit zomaar beginnen met kopiëren”, zei ze, „jullie maken eerst vanachter de toonbank een machine vrij. Als je dan als klant begint, staat het apparaat op nul. Zo is het altijd geweest. Maar nu moet hij op drie hebben gestaan.”

„Precies”, zei de bediende ongeduldig. „Dat had u kunnen zien. Wat u had moeten doen is op reset drukken.”

„Op rie-set?” De stem van de dame schoot omhoog, als een brandende fakkel. „Rie-set? Hoe kom je daar nou bij? Nooit van gehoord.”

„Dat is dan jammer voor u.”

De bediende wendde zich half af in een dubbelzinnige poging om zijn weerzin zowel te maskeren als te tonen. Daarop keek de dame naar mij, de enige andere klant in de ruimte.

„Komt u hier vaker?” vroeg ze.

Ik moest het beamen.

„En heeft u ooit op rie-set gedrukt voor u begon?”

Ik schudde het hoofd.

„Dat bedoel ik nou”, zei de dame terwijl ze terugliep naar de toonbank. „Jullie vergeten het apparaat goed af te stellen en je geeft mij de schuld.”

„Ik wil toch graag dertig cent van u”, zei de bediende.

„Nou, dan krijg jij dertig cent van mij”, zei de dame.

Ze diepte de muntjes één voor één uit haar portemonnee op en legde ze, telkens met een scherpe tik, één voor één op de toonbank. „Zó goed?”

„Dank u wel, mevrouw”, zei de bediende, nogal hulpeloos, „en tot ziens maar weer.”

„Daar zou ik niet op rekenen’’, zei de dame.

Ze draaide zich snel om en liep op boze beentjes de zaak uit – een klant die ooit koning was.