Rechtsbescherming in de uitverkoop?

Er is een omslag gaande in de strafrechtspleging. De opsporingstechnieken richten zich ook op burgers die niet verdacht zijn. Zonder dat zij dat weten.

Een slager waarbij een pondje opsporing wordt besteld en de rechtsbescherming zorgt of het een onsje meer of minder wordt. Deze typering van de hedendaagse strafjustitie gaf de nieuwe Tilburgse hoogleraar Bert-Jan Koops in zijn oratie van november. Zijn onderwerp was de verhouding tussen strafrecht en moderne informatietechnologie.

Deze technologie begint een belangrijke rol te spelen bij de vraag hoe het staat met de kwaliteit van onze strafrechtspleging. Volgens een bekend gezegde vormt deze een graadmeter voor het beschavingspeil van onze samenleving.

Koops signaleerde een omslag in de rol van het strafrecht. De opsporing is niet langer meer afhankelijk van de inlichtingen en het bewijs die voorhanden zijn. Maatschappelijke processen moeten nu zo worden ingericht dat justitie er in de toekomst inlichtingen en bewijs uit kan vergaren.

De betekenis van deze omslag moet niet worden onderschat. Het belang van de concrete verdenking als startpunt van justitieel onderzoek neemt af, terwijl dat een principiële scheidslijn markeert in de omgang tussen overheid en burger.

Opsporingsonderzoeken breiden zich in rap tempo uit tot personen op wie zelf geen verdenking rust. Deze onderzoeken krijgen bovendien in toenemende mate een verkennend karakter. Gekoppeld aan de inzet van nieuwe technologieën komt dit er op neer dat mensen sneller dan ooit object van onderzoek worden, dikwijls zonder dat zij daar enige weet van kunnen hebben. Een recent rapport van het Rathenau Instituut, dat zich bezighoudt met maatschappelijke en politieke oordeelsvorming over technologisch-wetenschappelijke ontwikkelingen, signaleert „dat Nederland zijn onschuld is verloren”.

Het rapport noemt: (grootschalig) DNA-onderzoek, cameratoezicht, computeronderzoek, bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals observatie en infiltratie, de algemene identificatieplicht, koppeling van bestanden, het inschakelen van buitenstaanders bij opsporing, aftappen van telecommunicatie, het vorderen van gegevens onder buitenlandse druk, bijvoorbeeld bij het verstrekken van passagiersgegevens. Binnenkort te verwachten zijn: het „burgerservicenummer” als algemeen identificatiemiddel, nieuwe bevoegdheden voor de AIVD, een bewaarplicht voor bel- en e-mailgegevens, buitenlandse toegang tot politieregisters en het biometrisch paspoort met vingerafdruk en irisscan. Op langere termijn zijn trefwoorden: slimme camera’s, Radio frequency identification (een verfijnde elektronische streepjescode) en ‘ambient intelligence’: sensoren in huizen, kleding of zelfs het lichaam.

Koops, een van de auteurs van dit rapport, zei in zijn oratie „niet te willen beweren dat de rechtsbescherming in de uitverkoop is gedaan”. Vandaar de beeldspraak van het onsje meer of minder. De toon van het Rathenau-rapport ‘Van Privacyparadijs tot controlestaat?’ is alarmerender. Er is nauwelijks discussie over al die nieuwe maatregelen. En als die er al is, blijft zij beperkt tot afzonderlijke maatregelen. De vraag naar het „cumulatieve effect” – het probleem dat het totaal van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer groter is dan de som der delen – wordt vermeden. De effectiviteit van de nieuwe veiligheidsmaatregelen wordt bovendien nauwelijks in de afweging betrokken. Wat is de meerwaarde eigenlijk? Er wordt wel gevraagd om nieuwe bevoegdheden maar zelden wordt hard gemaakt waarom de bestaande niet voldoen.

Naarmate de inzet van bijzondere methoden wordt verruimd is „substantieel toezicht achteraf” des te meer noodzakelijk, betoogde Koops in zijn oratie. Voorzover deze aansporing is bedoeld voor de Nederlandse strafrechter, ziet het er niet naar uit dat deze daar veel oren naar heeft. De rechter is mild als het gaat om onregelmatigheden. Jaren geleden klaagde hoogleraar strafrecht Schalken al dat „de kwaliteit van de procesvoering volledig afhankelijk wordt gemaakt van het toeval waarmee het de verdediging op grond van eigen alertheid lukt om onregelmatigheden boven tafel te krijgen”. Als ’t even kan wordt de rechercheur die in een ambtsedig proces-verbaal onwaarheid spreekt over de herkomst van informatie, door de Hoge Raad gedekt. Deze heeft ook niet moeilijk gedaan als potentieel ontlastende bewijsmiddelen zijn „weggeraakt”, zoals „per abuis” gewiste tapverslagen of (DNA)materiaal.

Het belangrijkste blijft echter de opeenstapeling van nieuwe bevoegdheden. Dat geldt te meer omdat ze niet strikt beperkt blijven tot de opsporing, maar de neiging hebben uit te waaieren naar andere activiteiten van de (semi)overheid – of zelfs particuliere sectoren. Aan dit cumulatieve effect kan ook een alerte rechter maar weinig doen. Dat is iets voor regering en parlement. Het nieuwe regeerakkoord belooft: „Bij alle maatregelen verantwoordt de overheid de gevolgen voor de privacy van burgers”. Dat laat voortzetting van de gewraakte salamitactiek geheel open.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl