Rabarber uit Nederland, is dat nu nodig?

Sinds de 18de eeuw is Yorkshire het wereldcentrum van de rabarberindustrie. Mild smakend, lichtrode, sappig, anders dan de grove rabarber uit Nederland. Nu willen de laatste kwekers bescherming, zoals voor champagne.

De groep van zo’n veertig mannen, vrouwen en kinderen, die – armen benauwd tegen het lijf – in het halfduister tussen de roze stelen van het gewas staat, heeft op het eerste gezicht nog het meest van een sekte die verwikkeld is in een bizar ritueel. De enige verlichting in de lage schuur komt van kaarslicht. In het eindeloze donker daarom heen strekken zich onafzienbare bedden gewas uit en daaruit klinkt, alsof er een vette droppel regen op een steen spat, nu en dan een duidelijk plop. Hier, in het hart van de rhubarb-triangle, de Yorkshire rabarberdriehoek, kun je rabarber letterlijk horen groeien.

Buiten komt de regen met bakken uit de hemel, maar Janet Oldroyd, door de VVV van Wakefield geïntroduceerd als „de hogepriesteres van de rabarberwereld’’, spreekt in deze immense schuur met in donkere warmte gekweekte winterrabarber een bus bezoekers uit Blackpool toe als betrof het hier een zomerse excursie. Want dit is het begin van Wakefields rabarberfestival en straks moeten de bezoekers nog volop aan het proeven van de zegeningen die de Engelse rabarberdriehoek heeft te bieden. Ook al is het februari.

Janet Oldroyd is de drijvende kracht achter een beweging van rabarberkwekers in Yorkshire om de daar exclusief gekweekte forced rhubarb een Europees erkende naams- en productbescherming te geven, gelijk aan die van ‘Stilton’ of zelfs van ‘champagne’. De aanvraag ligt nog bij het Britse ministerie van Landbouw op het bureau, maar de twaalf overgebleven rabarberkwekers in de driehoek tussen Leeds, Wakefield en Pontrefact zijn ervan overtuigd dat zonder die beschermde status de exclusiviteit van hun gewas niet doordringt tot de consument. Die wordt immers, zoals de Yorkshirekwekers vorig jaar bij het indienen van hun aanvraag aanvoerden, in verwarring gebracht door de aanwezigheid in de supermarkt van de Nederlandse rabarber: grover, goedkoper en heel anders van smaak. Geen vergelijk met de zachtzure, mild smakende, lichtroze getinte, sappige stelen winterrabarber, die gedurende vijf weken tussen eind december en half februari met de hand geoogst worden in de unieke forcing sheds, die dit gebied sinds de 18de eeuw tot ‘het wereldcentrum van de rabarberindustrie’ hebben gemaakt. Deze delicatesse, hoewel een groente, ligt in Engeland bij het exotische fruit op de plank en er moet navenant voor betaald worden. Vorig jaar werd ze herontdekt door topkoks als Rick Stein en Gordon Ramsay, een ontdekking die door Oldroyd als een cadeau wordt aangegrepen om die Britten te genezen die zich rabarber herinneren als iets groens, draderigs en zuurs, dat je in en na de Tweede Wereldoorlog als gezond geacht toetje op moest eten, zonder dat er een schep suiker aan te pas kwam. Want suiker was op de bon en Oldroyd legt het haar groep toehoorders met een plastisch gebaar op keelhoogte uit: „De regering hield toen de prijs met opzet op 1 shilling per pond zodat gewone mensen zich de groente ook nog konden blijven permitteren. Maar de Britten zat die rabarber zonder suiker daarna tot hier!’’

Waar ooit 200 kwekers furieus met elkaar wedijverderden en elk voor zich de geheimen koesterden van hùn speciale rabarbersoort en hùn speciale shed-condities, zijn nu nog 12 rabarberkwekers over. Hun winterrabarber, 150 ton van de Oldroyd-bedrijven alleen al, is geheel bestemd voor de binnenlandse markt. Nederland exporteert, volgens de meest recente cijfers, van de 2.321 ton verse rabarber die worden geproduceerd, 378 ton naar het Verenigd Koninkrijk. Daarmee loopt de Britse afnemer achter op Frankrijk, Duitsland en de rest van de Benelux, die meer Nederlandse rabarber importeren.

Een van die Nederlandse rabarberkwekers, wiens product al sinds jaar en dag in de Engelse supermarkt ligt, is Alex Mies. Net als Janet Oldroyd in Wakefield, volgt hij op zijn bedrijf in Wouwse Plantage ook in de voetstappen van zijn vader. Net als Oldroyd kweekt hij ook uitsluitend rabarber.

„Nederland heeft geen waardering voor rabarber, zoals de Engelsen dat hebben,’’ zegt Mies. „Daar eten ze meer rabarber per hoofd van de bevolking dan in Nederland. En ze hebben er daar in Yorkshire een mooi verhaal omheen. Hier heb je een paar tuinders en clubjes, maar een onderzoeksbureau zoals in Cambridge nog bestaat, is hier al lang niet meer. En van subsidie of steun als de prijs inzakt, zoals dat met aardbeien en tomaten gebeurt, is hier al helemaal geen sprake.”

Mies heeft weinig sympathie voor de manier waarop de Yorkshirekwekers proberen hun product Europees beschermde status te geven. Het ìs immers al een marginaal gewas. „Als je één soort rabarber als topproduct gaat beschermen, betekent dat dat kwekers van andere soorten buiten spel worden gezet. We moeten juist als rabarberkwekers allemaal één lijn trekken, want als je niet uitkijkt is er straks niet één van ons meer over.’’

Mies zegt dat hij rabarber kweekt „omdat het product me gewoon aanspreekt’’. Hoe? „Het is niet zomaar een gewas: je kunt het niet even op een substraatmatje zetten, er valt weinig aan te automatiseren en je kunt het pas na een paar jaar oogsten.”

Janet Oldroyd heeft een soortgelijk verhaal: dit gewas vereist een zorg en een investering die het haast een erezaak maken om door te gaan met de kweek ervan. En die kweek heeft in de rhubarb-triangle altijd gedijd vanwege de grondsoort, de aanwezigheid van goedkope energie (kolenmijnen) en goedkope bemesting, plus de specifiek klimatologische omstandigheden. Over rabarber moet, net als over boerenkool, de vorst heen. De rabarberdriehoek gold altijd als een frost pocket, maar net als Mies maakt Oldroyd zich zorgen over de realiteit van de klimaatsverhitting. Vorst komt later of niet en dat betekent dat haar Timpley, Stockbridge Arrow of Queen Victoria dit jaar net zo’n spaarzame oogst opleveren als potentieel de Goliath van Alex Mies. Hetgeen voor de prijs, vanuit beider standpunt, niet slecht is, maar jaren voortduren kan die situatie ook niet.

Oldroyd wil de Nederlandse concurrenten niet openlijk voor het hoofd stoten. „Wij vinden het wel jammer dat ze zich soms door de supermarkten hier laten afschepen met een bodemprijs, die wij onaanvaardbaar vinden,’’ zegt ze. „Als wij onze poot stijf houden in zo’n situatie, dan zouden zij het ook moeten doen.’’ De woorden „grof en goedkoop product’’ komen haar de mond niet uit. Wel zegt ze: „Rabarber uit Nederland in de supermarkten hier: mensen uit Yorkshire vragen zich wel eens af of dat nou nodig is.”

De bus uit Blackpool stroomt leeg in een bijgebouw: rabarberjam – met pernod, met dadel, met gember, met sinaasappel – rababerwijn, rabarber-pie en zelfs rabarber-crumble, het vliegt allemaal weg in een orgie van rabarberhebzucht onder de bezoekers van de Wakefield rabarberkermis.

Alex Mies in Nederland zei het al: „Wij kunnen van die lui in Yorkshire hier in Nederland nog veel leren.’’