Ouders negatief, kinderen agressief

Agressie bij jonge kinderen is een kwestie van temperament en karakter.

Maar net zo belangrijk is het contact met de ouders.

Als een jong kind zich regelmatig agressief gedraagt, ligt dat dan aan de ouders of zit het in de genen van het kind? Allebei, zegt ontwikkelingspsycholoog Sanny Smeekens, die promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Als ouders hun kind voortdurend negatief benaderen en het kind het gevoel geven dat het niet belangrijk is, zal het in veel gevallen agressief reageren. Maar de mate van agressiviteit hangt ook af van het temperament en het karakter van het kind.

Het proefschrift van Sanny Smeekens is onderdeel van een langlopend onderzoek naar de verschillen in de ontwikkeling van kinderen. Hiervoor werden 129 kinderen met vijftien maanden gescreend, er werd met de ouders gesproken tijdens een huisbezoek. Ook werd de interactie tussen ouder en kind geobserveerd. Dit werd herhaald toen de kinderen tweeënhalf jaar waren. Smeekens keek naar de ontwikkeling van de kinderen op vijfjarige leeftijd. Toen deden nog 116 kinderen mee.

Hoe belangrijk is de rol van de ouders?

„Bij agressiviteit is die rol belangrijk. Als ouders negatief op hun kinderen reageren, wordt elk kind agressief. Hoe negatiever de ouders, hoe agressiever het kind.”

Hoe meet je zoiets?

„We vroegen ouders en kinderen samen een opdracht te maken. De kinderen kregen plaatjes die vier emoties uitbeelden: boos, blij, verdrietig en bang. Ze moesten een plaatje uitkiezen en bedenken bij welke gebeurtenis ze zelf die emotie hadden gevoeld. Daarover moesten ze hun moeder vertellen. Dus een kind kiest het plaatje met het angstige gezichtje en vertelt dat het een keer heel bang was ’s nachts in bed in het donker. De ene moeder reageert met: ‘Stel je niet aan, daar word je toch niet bang van?’ Een ander is begrijpend en invoelend. Het kind reageert daar weer op een bepaalde manier op.

„Daarnaast namen we van alle kinderen speekselmonsters af. Daaruit bleek dat als ouders negatief op hun kinderen reageerden, de cortisolwaarden direct stegen. Dat betekent dat ze zich gestresst voelen.

„Hoge cortisolwaarden hebben een slechte invloed op het immuunsysteem van kinderen, op hun geheugen en op gedragsproblemen.”

Is de invloed van ouders altijd zo groot op gedragsproblemen?

„We hebben ook gekeken of ouders duidelijke regels hanteren en die ook consequent toepassen. Dat bleek belangrijk voor peuters die van nature bozig zijn en snel ontregeld. Bij stabielere kinderen had het ontbreken van strakke regels nauwelijks effect. De persoonlijkheid van het kind én de interactie tussen kind en ouders bleken ook aan te geven welke kinderen meer risico lopen op het ontwikkelen van gedragsproblemen.”

Hoe definieer je die persoonlijkheid dan?

„We onderscheidden drie persoonlijkheidstypen. ‘Veerkrachtige kinderen’ hebben een goede band met hun ouders, zijn intelligent, sociaal slim, flexibel en kunnen zich makkelijk aanpassen aan stressvolle situaties.

„‘Ondergecontroleerde kinderen’ hebben een moeizame band met de ouders en minder sociale en cognitieve vaardigheden, ze vertonen vaak agressief en regelovertredend gedrag.

„‘Overgecontroleerde kinderen’ zijn net als veerkrachtige kinderen veilig gehecht en hebben een relatief hoog niveau van verbale intelligentie en sociaal inzicht. Maar buiten de gezinssituatie gedragen ze zich geremd; ze vallen vaak buiten een groep.”

Die persoonlijkheid wordt dus gecultiveerd in de interactie met de ouders?

„Precies, alles heeft met elkaar te maken. De invloed van ouders is groot. Tegelijkertijd kan een kind genetisch kwetsbaar zijn, zoals de overgecontroleerde kinderen. Die hebben wel een goede band met de ouders en zitten thuis goed in hun vel, maar op school liggen ze niet goed in de groep. En een veerkrachtig kind redt zich wel als de ouders geen duidelijke grenzen stellen en handhaven, terwijl een ondergecontroleerd kind dan makkelijker ontspoort.”

Een thema dat in het verlengde ligt van Smeekens onderzoek, narcisme en agressie bij adolescenten, is onderzocht door de psycholoog Sander Thomaes. Hij promoveerde aan de Vrije Universiteit. Thomaes observeerde kinderen van 9 tot 13 jaar bij het spelen van een speciaal ontwikkeld computerspel. Daarbij konden ze tegenstanders van wie ze niet hadden kunnen winnen voor het gehoor zeer pijnlijke ‘lawaaistoten’ toedienen. Vooral kinderen met een onrealistisch hoog zelfbeeld bleken te neigen naar bovengemiddelde agressie. Ook Thomaes wees naar de opvoeder. Die moet ervoor zorgen dat een kind een realistisch zelfbeeld ontwikkelt en zich niet beter voelt dan een ander. Herkent Smeekens deze bevindingen?

„De combinatie agressie en positief zelfbeeld herken ik bij een deel van de ondergecontroleerde kinderen. Maar voor deze groep vonden wij dat de interactie met de ouder gekenmerkt wordt door negativiteit. Dat zijn dus geen ouders die hun kind voor elke stap die ze zetten de hemel in prijzen waardoor ze een niet-realistisch zelfbeeld ontwikkelen.”

Wat kunnen we met de resultaten van het onderzoek?

„Vroegtijdige opvoedingsondersteuning kan een hoop ellende voorkomen. Vooral voor kwetsbare kinderen. De meeste ouders willen graag de beste opvoeders zijn, maar niet iedereen lukt dat even goed. Die ouders zijn vaak met wat begeleiding goed geholpen.”

Lees over opvoeden: www.opvoedingsondersteuning.info