Morgen telt één stem voor drie Steeds minder mensen kiezen voor provincie

De opkomst bij de verkiezingen voor Provinciale Staten is vaak laag. Maar stemmen is om meer dan één reden belangrijk.

Eén stem, drievoudig effect. Wie morgen naar de stembus gaat voor de Provinciale Statenverkiezingen, oefent direct én indirect invloed uit op het landsbestuur, althans in theorie. De leden van de Provinciale Staten worden gekozen, en via hen ook de leden van de Eerste Kamer. De samenstelling van de senaat is van belang voor de slagkracht van de nieuwe coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie.

Daarmee is de gang naar de stembus ook een verkapt referendum over deze coalitie. Zo wordt het althans door de leiders van de politieke partijen ervaren. Het is het moment voor de kiezer om een correctie aan te brengen op de keuze van november vorig jaar voor de Tweede Kamer. Of om die keuze, nu beargumenteerd met een concreet regeerakkoord, te bevestigen.

De indirecte verkiezing van de Eerste Kamer via de Provinciale Staten dateert uit 1848. De komst van een rechtstreeks gekozen Tweede Kamer in dat jaar stuitte op verzet bij de conservatieve afgevaardigden die destijds de dienst uitmaakten in Den Haag. Om te voorkomen dat beide Kamers van de Staten-Generaal rechtstreeks door ‘het volk’ (toen nog alleen een deel van de mannelijke bevolking) gekozen zou worden, blokkeerden zij het voorstel van de liberaal Thorbecke om de Eerste Kamer direct te laten kiezen. Sindsdien is de verkiezing van de senaat getrapt.

De relatie tussen provinciaal en landelijk zorgt voor een perverse prikkel. Immers: waar moet de kiezer op letten? Hoe de provinciale vertegenwoordigers het de afgelopen jaren hebben gedaan? Of de provincie naar behoren functioneert? Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat kiezers vaak weinig binding hebben met hun provincie. Anders dan bij verkiezingen voor de gemeenteraad, waar veel lokale partijen aan meedoen, maken provinciale partijen beperkt deel uit van de provinciale politiek. Van de 764 zetels die in 2003 verdeeld werden, gingen er slechts 21 naar puur provinciale partijen (zoals de Fryske Nasjonale Partij). Ter vergelijking: bij de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006 waren de lokale partijen de grootste stroming, met 2.262 van de 8.861 zetels. In het dagelijks bestuur van de provincies (Gedeputeerde Staten) zijn de provinciale partijen helemaal niet vertegenwoordigd. Daar domineren ‘regenboogcoalities’ van CDA, PvdA en VVD, hetgeen het relatief gedepolitiseerde karakter van de Staten alleen maar bevestigt.

Waarschijnlijker is dat de kiezer, als die al naar de stembus komt, zich laat leiden door de landelijke uitstraling die de verkiezingen hebben. De taken van provinciebesturen (ruimtelijke ordening, streekvervoer, jeugdzorg) spreken niet erg tot de verbeelding, net als de provinciale politici. Het aantal Statenleden wordt overigens met 200 zetels teruggebracht tot 564 in totaal. Doel hiervan is om Gedeputeerde Staten meer slagkracht te geven. Ook worden de Provinciale Staten in verhouding tot gemeenteraden wel erg groot geacht.

De Statenverkiezingen kunnen sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970 rekenen op een gestaag dalende belangstelling van de kiezer. Van bijna 70 procent in 1970 daalde de opkomst tot 45,6 procent in 1999. 2003 liet een kleine opleving zien (47,6 procent van de kiezers ging naar de stembus). Ter vergelijking: voor de gemeenteraadsverkiezingen was de opkomst vorig jaar 58,2 procent, voor de Tweede Kamerverkiezingen ruim 80 procent.

(Vervolg VERKIEZINGEN: Pagina 3)

VERKIEZINGEN

Steeds minder mensen kiezen voor provincie

(Vervolg van pagina 1)

Net als in 2003 gaan de verkiezingen van morgen maar voor een deel waar ze over lijken te gaan. De verkiezingsborden in weilanden met posters van provinciale lijsttrekkers ten spijt, domineert ook nu de landelijke politiek.

De samenstelling van de Senaat is van belang voor de macht die de nieuwe coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie de komende vier jaar zullen hebben. Nu hebben deze partijen een riante meerderheid in de Senaat (44 van de 75 zetels). Maar op 22 november wisten diezelfde partijen voor de Tweede Kamer maar een krappe meerderheid van 80 zetels (van de 150) te halen. Daarmee is ongewis of de coalitie ook in de Senaat een meerderheid zal krijgen. Het zou overigens voor het eerst sinds 1918 zijn dat een coalitie niet ook een meerderheid in de Eerste Kamer heeft.

Complicerende factor daarbij is dat de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders niet meedoet aan de Statenverkiezingen. Daarmee valt de 5,9 procent van de kiezers die op Wilders stemde, nu vrij. Oppositiepartij VVD hoopt daarvan te kunnen profiteren. Ook de SP zal naar verwachting weer goed scoren, wellicht procentueel gezien nog beter dan bij de Tweede Kamerverkiezing. Immers: waar destijds nog sprake was van de mogelijkheid van linkse samenwerking (PvdA, GroenLinks en SP lieten die optie nadrukkelijk open), is nu duidelijk dat de PvdA is gaan regeren zónder SP en GroenLinks. Voor hen biedt dat de mogelijkheid zich als de échte linkse partijen te profileren, wat in het nadeel van de PvdA kan werken.

Het CDA lijkt minder last te hebben van dit mechanisme, omdat de luis in de pels van het CDA – de ChristenUnie – ook mee regeert. Toch houdt het CDA ook rekening met teleurgestelde kiezers (die gegokt hadden op voortzetting van de coalitie met VVD), die nu wellicht de oversteek maken naar de VVD. Niet voor niets debatteren in het gebouw van de Eerste Kamer vijf fractievoorzitters van de Tweede Kamer morgen met elkaar over de gevolgen van de uitslag. Zij worden er immers dagelijks mee geconfronteerd.