Het atelier als kooi waar het naar zieke apen stinkt

Mariëtte Haveman, Eddy de Jongh, Ann-Sophie Lehmann, Annemiek Overbeek (red.): Ateliergeheimen. Over de werkplaats van de Nederlandse kunstenaar vanaf 1200 tot heden. Uitgeverij Kunst en Schrijven, 368 blz. € 35,50

****-

Interviews met beeldend kunstenaars vinden meestal plaats op hun atelier. Daar is het recentste werk te zien en met een beetje geluk liggen er schetsen, boeken, snoepgoed of cd’s die kunnen bijdragen aan een breder inzicht in werk en maker. Maar behalve inzicht in de kunstenaar, geeft het atelier ook meer zicht op de ontwikkeling van de kunst. In Ateliergeheimen, een bundel met veertien essays van dertien kunsthistorici en een historicus, worden de acht eeuwen ateliergeschiedenis in hinkstap sprong afgelegd: de ontwikkeling van de plattelandse, middeleeuwse kloosterwerkplaats tot het privédomein dat vooral in de 17de eeuw opvallend vaak geschilderd werd. Dat atelier diende bij voorkeur hoger in het huis gesitueerd te zijn, omdat de kunstenaar zonder veel volk en herrie moest kunnen werken, zo had Leonardo da Vinci al geadviseerd. Mondriaans Parijse studio had daarentegen een driedimensionale compositie met verticale en horizontale vlakken, die geen welvende koffiepot of scheve schemerlamp kon verdragen. Maar hij was een pionier, want de meeste schildersateliers waren toen nog ‘kooien waar het naar zieke apen stinkt’, aldus De Stijl-voorman Theo van Doesburg.

Het heden komt er in Ateliergeheimen verder karig van af. Dat kan ook niet anders, want er zijn niet zoveel geheimen meer. Zelfs over het samenspel tussen schilder en model waar verveelde lieden en jaloerse collega’s graag over speculeerden, is men uitgepraat. De nadruk op het verleden komt deze bundel alleen maar ten goede. De kunstgeschiedenis wordt in onderwijs en media zozeer onderbelicht dat je graag leest over de alchemistische samenstelling van laat-middeleeuwse verven, het ontstaan van de ledenpop, het prentbedrijf, de moeilijkheidsgraad van het ‘vlees’-schilderen en het veelvuldig gebruik van natekeningen.

Dat ondanks de ontgoocheling van het 20ste-eeuwse atelier er nog steeds magie van uit kan gaan, vertelt Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering. Samen met zijn vader bezocht hij als jongetje regelmatig een eenzame schilder, met baard en glazen brilletje, die in een huis in de bossen woonde. Zijn vader fluisterde dat die hoge plank in het midden van de kamer een schildersezel was. De schilder zette er steeds een ander doek op, en dat manifesteerde zich dan aan de kleine Ernst als ‘een bedrieglijk gat met een daarachter een prachtige schijnwereld’. Het raadsel dat van een schilderij een betoverende schijnwereld maakt, blijft het geheim dat ook dit boek niet kan ontrafelen.