Een verzaksensor in de muur

Een Groningse uitvinding meet continu of een gebouw verzakt, tot op de honderdste graad.

Boor een gat in de muur, klem daar een buisje formaat middelvinger in, en een aannemer kan continu bijhouden of die muur niet heel langzaam verzakt. In het buisje, een uitvinding van instrumentmaker Wim van Dijk, zit een sensor die verzakkingen van minder dan een honderdste graad registreert. Het nieuwe meetsysteem is een alternatief voor gangbare waterpastoestellen en kwam vorige week op de markt – vooralsnog alleen bij Van Dijks eenmansbedrijf Pluto Surveying Instruments in Groningen.

In het buisje, de Arcsensor gedoopt, liggen twee stroomdraadjes naast elkaar. Een elektrische stroom springt over van de ene op de andere draad. Het buisje is deels gevuld met een geleidende vloeistof. In horizontale stand liggen de draden allebei onder de vloeistofspiegel en kan de stroom overal overspringen. De stroom is dan het sterkst. Als een gebouw verzakt en het buisje scheef ligt, steekt één kant van de stroomdraden uit de vloeistof. In de luchtbel is de weerstand hoog. Hoe groter de verzakking, des te verder steken de draden eruit en hoe zwakker wordt de stroom. De stroomsterkten worden afgelezen en opgeslagen, zodat het apparaat na weken, maanden of jaren verraadt of er iets veranderd is.

De sensor legt afwijkingen vast vanaf vijfduizendste millimeter op honderd meter. Dat is minder dan een honderdste graad. De nauwkeurigheid is volgens Van Dijk veel groter dan bij de ouderwetse waterpastoestellen. Dat zijn kijkers die om een horizontale en een verticale as draaien en twee hoeken meten tussen enkele punten op de muur. Om een verzakking te meten, moet de bouwkundige terugkomen – en dan maar hopen dat de plek waar het waterpastoestel stond, niet mee verzakt is.

Bouwkundigen bevestigen Van Dijks claim. „Wij slaan boutjes in een muur en doen een nulmeting met zo’n waterpastoestel”, vertelt Eppo Venema van ingenieursbureau MUG in Leek. „Later meet je nog eens om een afwijking te registreren. Zo’n sensor zou ons veel tijd besparen.” Volgens bouwkundig ingenieur Ronald Wieringa uit Groningen hebben waterpastoestellen behoorlijke foutmarges. „Een millimeter meer of minder heb je maar zo”, zegt hij. „Terwijl een verzakking van een halve millimeter per jaar de Martinitoren na twintig jaar toch een centimeter uit het lood zet.”

Zo’n sensor zou dienst kunnen doen in de muur van een monumentaal pand in de buurt van de nieuwe metro in Amsterdam, om elke maand te controleren of de muur nog even recht staat. Bij ondergrondse constructies, zoals parkeergarages, is het apparaat ook handig. Waterpastoestellen moeten op een aardige afstand van de muur staan. Daar is ondergronds niet altijd ruimte voor.

Dat de Arcsensor extreem gevoelig is, is te merken: wie flink op de grond stampt, ziet de verzakkingsgrafiek al trillen. Die hooggevoeligheid voor trillingen kan bij momentopnamen een vertekend beeld geven. Een stevige wind of voorbij denderende bus doet immers de grafiek schommelen. Daarom corrigeert de bijbehorende software op zulke schommelingen. Maar als een muur na een tijd een minieme beweging in één richting heeft gemaakt, wordt die beweging genadeloos vastgelegd.

De Arcsensor is eenvoudiger in gebruik en met ruim drieduizend euro goedkoper dan een waterpastoestel van 16 mille. Met dezelfde analyser en software zijn bovendien meerdere sensoren af te lezen, die her en der in muren zijn geplugd.