De echte topstukken verlaten Nederland

De vijf Goudstikker-werken die voor Nederland behouden blijven, zijn zeker niet de minste. Maar representatief voor de collectie zijn de schilderijen, alle uit de zeventiende eeuw, niet.

De vier schilderijen die de Nederlandse staat nu heeft gekocht van de erven Goudstikker en het werk dat als schenking hier zal blijven, behoren niet tot het allerbeste uit de verzameling. Maar wie zonder voorbehoud kan uitzoeken in een virtuele kunsthistorische snoepwinkel, maakt allicht andere keuzes dan de eigenaar ervan. Het verwondert niet dat die de mooiste stukken voor zichzelf houdt.

Representatief voor de Goudstikkerschilderijen zijn de vijf schilderijen in ieder geval niet. De thematiek is beperkt tot het architectuurgenre en de portretschilderkunst. En de werken dateren alle uit de zeventiende eeuw, terwijl een groot gedeelte van de verzameling juist daarvoor is ontstaan. Toch is er ook reden tot tevredenheid, want de nu gekochte en geschonken schilderijen zijn zeker niet de minste.

De twee portretten van de Utrechtse schilder Paulus Moreelse, van de 40-jarige Utrechtse patriciër Philips Ram en diens vrouw Anna Strick, zijn levendig en minutieus geschilderd. Gedetailleerd is de verschijning van de 34-jarige Anna, die de beschouwer welwillender, zelfs wat ondeugend, aanblikt. Met haar rechterhand houdt ze op speelse wijze een plooi van een tafellaken tussen duim en wijsvinger. Van de hand van Moreelse zijn meer dan honderd portretten bekend, waarvan er zich een behoorlijk aantal in Nederlandse collecties bevindt.

De Architectuurfantasie met figuren (1633) van Dirck van Deelen, schilder en burgemeester van Arnemuiden, toont een perspectivisch spectaculair opgebouwde classicistische zuilenarchitectuur. Met de elegante figuurtjes die zich er in vertreden, moet die de suggestie van een rijk buitenverblijf wekken. Ook in het Gezicht op Delft (1663) van de Delftse schilder Daniël Vosmaer domineert een fantasiebouwwerk. Vanuit een in sterk verkort geschilderde loggia met tegelvloer kijken we naar het stadsgezicht. Beide werken zijn mooie voorbeelden van de architectuurschilderkunst die in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw in Holland in zwang kwam, en die in Nederlandse collecties goed vertegenwoordigd is.

Voor een totaalbedrag van 2,9 euro heeft het Nederlandse openbaar kunstbezit met deze vier werken dus zeker geen kat in de zak. Maar het mooiste deel van de transactie is toch de schenking van het Portret van een gestorven kind (1645), van de Amsterdamse schilder Bartholomeus van der Helst. Dit werk toont heel realistisch een gestorven kindje dat vredig ligt op het doodsbed dat de bleke kleuren echoot van het levenloze lichaam. De aangrijpende thematiek wordt benadrukt door een dovende toorts. In de reeks werken met dergelijke voorstellingen zoals die in de zeventiende-eeuwse Nederlanden zijn geschilderd, is deze Van der Helst een absoluut hoogtepunt.

Maar hoe mooi en belangrijk ook, deze vijf werken zijn, wat betreft kunsthistorisch belang, zeldzaamheid en geldelijke waarde, van een andere orde dan de echte topstukken. Het unieke Landschap met een episode uit de verovering van Amerika van Jan Mostaert (ca. 1550) zal nu ongetwijfeld zijn weg vinden naar het land waarover het gaat.