Broedplek van kleurrijk plastic

Meerkoeten zijn praktisch en hebben een ‘vreemd gevoel voor esthetiek’. Fotografe Semâ Bekirovic liet vorig jaar een imposant nest bouwen van haar eigen afgedankte prullaria: rietjes, naaktfoto’s en papiergeld.

Semâ Bekirovic, geboren in 1977 op een woonschuit in de Amstel, kijkt al heel haar leven gefascineerd naar nesten van meerkoeten (Fulica atra).

Op een dag bestudeerde ze een verlaten nest, en ontdekte dat er een creditcard in verwerkt was. Een voor de mens waardevol stukje plastic was nestmateriaal van een watervogel geworden. Dat zette de Amsterdamse fotografe aan het denken over vergankelijkheid en verandering, over spullen die op de een of andere manier een nieuwe functie krijgen.

Bekirovic besloot om een uniek experiment uit te voeren: ze zou een meerkoetenpaar zover proberen te krijgen om een nest te bouwen van haar eigen afgedankte, maar toch dierbare prullaria. Niet gehinderd door enige vogelkundige boekenwijsheid – „meerkoeten bouwen hun nest van takken of waterplanten met harde vezels die reeds droog of dor zijn, zoals riet en lisdodde”, heet het officieel – maar met de kennis dat stadskoeten ook omgevingsvuil als nestmateriaal gebruiken, zocht Bekirovic een geschikt nest in aanbouw. Dat viel niet mee: „Ik begon mijn spullen te slijten bij een nest dat in het water was gebouwd, maar daar dreef het beoogde bouwmateriaal al weg voordat de koeten het in de gaten kregen.”

In de Amstel ter hoogte van de Cult Videotheek, vlakbij het Waterlooplein, vond Bekirovic de perfecte proefopstelling. Het was een vlotje tussen twee woonschepen waarop een paartje koeten al flink aan het bouwen was met takken en omgevingsvuil. Prettige bijkomstigheid: een van de twee meerkoeten (het mannetje, gezien zijn leidende rol bij het aandragen van nestmateriaal) leed aan een fotogenieke erfelijke afwijking, leucisme genaamd, waarbij in delen van het (zwarte) verenkleed het donkere pigment ontbreekt. ‘Albino’ is de pertinent foute benaming.

In mei en juni 2006 ging Bekirovic zes weken lang, twee keer per dag („behalve als het regende”) langs bij haar koetenpaar op het vlotje, om ze te voeren met persoonlijk getint nestmateriaal: plastic dierenfiguurtjes, viltstiften, familiefoto’s, een uitgeknipte krokodil, Turkse en Oekraïense bankbiljetten, naaktfoto’s, afwashandschoenen, oude kerstkaarten, kleinbeeldfilmstroken, rietjes, oude tandenborstels („die bewaart mijn vader altijd”), koninginnedagvlaggetjes, een origamiwerkje, een parelkettinkje, en ga zo maar door. Bekirovic beïnvloedde de vrije keuze van nestmateriaal een beetje door haar mooiste spulletjes te beplakken met broodkorstjes. Ze legde alles fotografisch vast.

Het nest groeide uit tot een imposant bouwsel van takken, kleurrijk plastic, prullaria en vreemde plaatjes. „De koeten waren vooral praktisch en hebben een vreemd gevoel voor esthetiek”, luidt Bekirovic’ conclusie. „Behalve mijn mooie spulletjes, zoals grijze en roze rietjes en oranje huishoudhandschoenen, sleepten ze ook steeds enorme hoeveelheden zwerfvuil naar het nest.” Het kleurrijke nest liet ook voorbijgangers niet onberoerd. „Op een dag ontdekte ik een diadeem met roze hartjes in het nest. Die was niet van mij.”

Semâ Bekirovic, ‘Koet’ (42 pagina’s, 15 euro), is verschenen bij Veenman Publishers (ISBN 978-90-8690-062-6). Zie ook www.semabekirovic.nl.