On the rood

Het zijn lastige dagen voor politici. Ze moeten ons warm maken voor verkiezingen waar ze zelf niet warm voor lopen. Dat kan nooit goed aflopen.

In Alkmaar hield de PvdA zaterdagmiddag een als ‘Rood Show’ betitelde bijeenkomst in Grand Café De Studio vlakbij de Grote Kerk. Op het eerste gezicht zat het er gezellig vol, maar naarmate de bijeenkomst vorderde, werd merkbaar dat sommige bezoekers niet bewust voor de PvdA gekomen waren. Hele groepjes aan tafels stonden plotseling op, betaalden hun rekening en verlieten de zaak.

Onder de sprekers bevond zich de nooit te onderschatten Peter Rehwinkel, burgemeester van Naarden en voor de PvdA Eerste-Kamerlid in wording. Hij kwam buiten adem binnen, want hij had net een opname bij Paul de Leeuw achter de rug, die morgen („let wel morgen, dus niet vandaag”) zou worden uitgezonden. Wat kwam hij ons vertellen? Hopelijk wat meer dan PvdA-voorzitter Michiel van Hulten, die had laten weten dat hij niet naar Alkmaar kon komen, hoewel zijn naam groot op de affiches prijkte.

Rehwinkel posteerde zich ontspannen op het podium, waar de ondervraging door de BNN-coryfeeën Sophie Hilbrand en Filemon Wesselink zou plaatsvinden. Geen ondervragers van wie veel gevaar te duchten viel. Rehwinkel kon dan ook vanaf zijn kruk een poosje behaagziek voortbabbelen. Hij vertelde dat hij niet de grootste voorstander was van de Eerste Kamer en dat zijn baantje daarin best mocht worden afgeschaft.

En de Provinciale Staten? Nou, als burgemeester had hij daar toch meer mee te maken dan het leek. In NRC Handelsblad had weliswaar toevallig die dag een „mevrouw Klaassen” (hij bedoelde bestuurskundige Klaartje Peters) het zaakje „belachelijk gemaakt’’, maar hij kon uit eigen ondervinding mededelen dat deze bestuurslaag „iets minder irrelevant is dan lijkt’’.

De cafébezoekers luisterden gelaten toe, op twee mannen na, die zich opeens als krokodillen uit de modder oprichtten. „Ik hoor een hoop gewauwel, maar niets over de grote problemen’’, zei de een. „Begin nou niet je eigen positie te relativeren’’, zei de ander, „ik vind niet dat die Eerste Kamer zomaar moet worden afgeschaft.”

Rehwinkel schrok zichtbaar, rechtte zijn laconieke rug en riep met een opeens strak en bleek gezicht: „Dat vind ik ook niet, die Eerste Kamer is hartstikke belangrijk!”

„Fantastisch”, zei de man in het café droog, „nou hoor ik passie.”

Toen was, wat betreft de landelijke politici, de beurt aan Jacqueline Cramer, de nieuwe minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Haar optreden in de publiciteit was tot dusver van een verfrissende onbevangenheid, maar hoe lang houdt een minister dat vol?

Ook in Alkmaar was zij weer innemend, vrolijk en dartel, maar haar teksten waren nog aan de vage kant.

Hoe vond ze haar nieuwe baan? „Een hele uitdaging.”

Hoe gingen we de milieuproblemen oplossen?

„Met z’n allen.”

Ze geloofde niet meer in een moralistische benadering van de milieuproblematiek. Het moest speelser, zoals de jongeren dat doen. „Zo wil ik de knop omzetten bij de mensen.”

Wilden we dat? Ze nodigde ons uit het haar uit volle borst na te zeggen: „Ik wil het!”

We deden het ook nog. Een beginnend politicus heeft recht op het voordeel van de twijfel.