Oefenen in samenwonen

Romantiek kan een behoorlijke knauw krijgen. Overdag als een zombie rondlopen en ’s nachts slaapdronken door het huis. Wat een puppy allemaal kan doen.

Mijn vriendin blijft volhouden dat samenwonen romantisch is. Ik heb mijn twijfels. „Maar”, zeg ik dan, „je hebt nog nooit echt samengewoond. Hoe weet je dan dat het leuk is?” Ze is immers een vrijbuiter. Zij is een moderne vrouw die haar eigen boontjes dopt. Daar heeft mijn vriendin echt geen vent voor nodig. En daarom heeft ze het ook steevast uitgemaakt met eerdere geliefden die haar zonder uitzondering begonnen te vertellen wat ze van nu af aan anders zou moeten doen. Ik ben in haar ogen niet zo. Ik zeg nooit wat ze wel of wat ze niet moet doen. Nu heeft het idee bij haar post gevat dat samenwonen met mij romantisch is. „Je kan voor elkaar zorgen”, zegt ze, „Je hoeft nooit meer afscheid te nemen. Je bent altijd samen.” „En”, zegt ze, „het is goedkoper als je samenwoont.” Dat laatste is een belangrijk argument, want ze is zo arm als een kerkrat.

„En dan kan ik voor je koken wat je lekker vindt”, zegt ze.

Dat lijkt me wel wat, dat lekkere eten, want koken kan ik niet.

„En 's avonds kijken we gezellig samen op de bank naar de tv”, zegt ze. Oei! Dat is schrikken! Mijn vriendin valt meestal na een tijdje in slaap en dan is tv kijken goed vol te houden.

Om haar hang naar romantiek niet te verstoren oefen ik toch wederom in het samenwonen. Het valt niet mee. Er is nu een jong hondje in haar huis, een puppy van 10 weken oud. Hij mag alles. Ze zal hem niets verbieden. Ze zal niet tegen het hondje zeggen wat hij wel en wat hij niet mag doen. En ik mag dat ook niet. Hij is immers nog zo klein? Het hondje mag net als ik in haar bed slapen. Ik gruwel van het idee. In slaap komen lukt nog aardig, maar in het holst van de nacht is de kleine duivel uitgeslapen en ik nog lang niet. Dan raust hij over het dekbed heen en weer en bijt zich vast in alles wat boven het dekbed uitsteekt. Hij oefent zijn kaakjes op mij. Hij heeft naaldscherpe melktandjes. Mijn huid is een eenvoudige barrière. Ik zit vol gaatjes. Hij kauwt ’s nachts graag op mijn hoofd. Het probleem is dat ik moeilijk wakker wordt. Eerst moet de pijn onverdraaglijk worden.

Vannacht heb ik haar puppy bijna vermoord. Op het laatste moment wakker geworden hield ik me in. Ik duwde hem ruw van het bed op de grond. Tot mijn voldoening zat hij minutenlang verbijsterd naar het bed te staren. Het leidde bijna tot een breuk met mijn lieve vriendin. Ik moet iets verzinnen. Overdag loop ik rond als een zombie, ik voel me een slaapwandelaar. En midden in de nacht strompel ik slaapdronken door het huis. Die kleine heeft me eruit gejaagd. Ik weiger opnieuw in dat vervloekte bed te gaan liggen. Tot mijn afgrijzen zie ik tijdens mijn wandeltocht dat kleine mormel comfortabel languit naast mijn vriendin liggen. Hij slaapt ontspannen.

Het samenwonen kan me gestolen worden. Ik wil naar huis.

Om mijn relatie te redden probeer ik de rest van de nacht op de tweezitsbank in de woonkamer te slapen onder het dekentje van de poesjes. Ik droom van de tijd dat ik als achttienjarige reiziger in Zweden in de open lucht sliep, op keiharde banken in het park, of in boten. Daarbij vergeleken is dit zachte bankje in de warme huiskamer een paradijsje. Ik heb niets te klagen.

De volgende nacht is er alweer die pijn. Een stekende pijn in mijn hoofd, die maar niet ophoudt en steeds erger wordt, alsof iemand naalden in mijn hoofd steekt. Ik slaap. In mijn droom lig ik zwaar gewond ter neder op het slagveld van eer. Ik heb gestreden en verloren. Meer kan een moedig man niet doen. Maar niet die pijn…die knagende pijn, hoeveel pijn kan een man verdragen? Hoe lang zal het duren voordat mijn kameraden mij gevonden hebben?

Als ik met mijn hand aan mijn hoofd voel of daar soms een gapende hoofdwond is, of het bloed uit mijn hoofd gutst, ontstaat er direct een nieuwe pijn, een hevige pijn, ditmaal in mijn hand. Ik voel een bekkie, ik voel scherpe tandjes. Het is de pup.

Ik lig helemaal niet op een slagveld. Hij kauwt al weer een tijdje op mijn hand. Ik word razend omdat een hondje van tien weken hier de dienst uitmaakt. Er valt niet met mijn vriendin te praten. Ze luistert niet eens. Het hondje duikelt van het bed. Opgedonderd, wegwezen! Mijn vriendin zit geschrokken rechtop in bed.

„Hij heeft toch niks?”

Afgesproken dat ik thuis blijf wonen tot hij volwassen is.