Millers ‘Heksenjacht’ met enig misbaar

Toneel: Heksenjacht van Arthur Miller, door het Nationale Toneel. Gezien 3/3 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 19/5. Inl. 070-31811444 of www.nationaletoneel.nl

Met zijn toneelstuk The Crucible wilde Arthur Miller tonen hoe groepsterreur mensen ertoe aanzet „hun geweten, hun persoon, hun naam” af te staan aan de staat, de kerk, of aan hun vrouw. Hij had dit aan den lijve ondervonden toen hij en veel van zijn vrienden slachtoffer werden van de Amerikaanse communistenjacht in de jaren vijftig.

Zijn onderwerp vond hij in het puriteinse New England van de 17e-eeuw, een der bakermatten van de Amerikaanse cultuur. In het plaatsje Salem had in 1692 een heksenjacht het leven gekost aan eenentwintig burgers. Het Nationale Toneel voert het stuk op als Heksenjacht, in een nieuwe vertaling van Kristien Hemmerechts.

Ruim een halve eeuw na de eerste opvoering, raken Millers duidelijke verwijzingen naar de communistenjacht op de achtergrond, maar ze zijn moeiteloos te vervangen door nieuwe voorbeelden van religieuze waan, groepsterreur en massahysterie. Regisseur Franz Marijnen heeft deze verwijzingen naar het nieuws echter verbannen naar de lobby van het theater. Daar toont een video fanatieke moslims en Amerikanen.

Op toneel toont hij het stuk helder en trouw, maar er kleeft iets ouderwets en armoedigs aan zijn versie. Dat ligt deels aan het kale decor, een leeg toneel met wat stoelen en kerkbanken, dat op zich past bij de gereformeerde sfeer, maar die wel tegen het stuk werkt. Voor een deel ligt dat ook aan het feit dat Millers werk langzaam aan het dateren is. Net als zijn tijd- en landgenoten schreef hij een soort psychologische romans op toneel, met dialogen volgepropt met informatie, veel uitleg, veel lijnen – pathetiek geen bezwaar. Vooral het eerste bedrijf heeft hieronder te lijden. Niet alleen moeten er zeventien personages worden geïntroduceerd (vier zijn er wegbezuinigd), we krijgen ook nog een uitgebreid exposé over de machtsverhoudingen in Salem en de onderliggende problemen van de gemeenschap.

De acteerprestaties zijn wisselvallig, de voorstelling wordt nogal gedomineerd door de oudere heren, in de rollen van de gezaghebbers. Ze brengen een traditionele speelstijl mee, met enig melodramatisch misbaar, die overslaat op de anderen, en de subtiliteiten in het stuk geen goed doet. Van de meisjes, die met hun hysterische aanvallen en beschuldigingen de motor achter de jacht vormen, blinken Pauline Greidanus en Wendell Jaspers uit. Jaspers speelt Abigail, een wilde kat met berekenende ogen, die uit gefnuikte liefde en trots het rad van ondergang in gang zet.

Jochum ten Haaf speelt John Proctor, de held van het verhaal; een linkse 20e-eeuwse held in leren jasje die enigszins verdwaald lijkt in deze 17e-eeuwse boerengemeenschap. Ten Haaf en Jaspers – sexy spijkerjurk – steken af tegen de seksloze Staphorster hobbezakken die de rest van de cast draagt. Ten Haaf heeft een eigenzinnige, hoekige, emotionele speelstijl die hem laat opvallen en apart zet van de rest van de groep. Dat maakt hem geknipt voor de rol van buitenstaander. Vreemd genoeg is dit voor het eerst sinds zijn terugkeer uit Londen en New York, waar hij Vincent van Gogh speelde, dat hij een dragende rol krijgt. Hij doet het vol vuur. Hij is het die vloeiend bloed geeft aan deze verder enigszins houterige opvoering.