Massahysterie is tijdloos, maar toch gedateerd

Heksenjacht van Arthur Miller, door het Nationale Toneel.

Tournee t/m 19/5. Inl.: www.nationaletoneel.nl

***--

Wat schrijver Arthur Miller het meest frappeerde aan de Amerikaanse communistenjacht in de jaren vijftig, waarvan hijzelf het slachtoffer werd, was de mystieke vormen die deze aannam. Uit het niets kon een klein clubje politici een „geheel nieuwe, subjectieve werkelijkheid” scheppen. Het verklaart waarom de jagers zich zo gemakkelijk konden voeden met gevoelens van angst, schuld en zonde die mensen toch al hadden. Miller wilde een toneelstuk maken waarin duidelijk zou worden hoe groepsterreur mensen ertoe aanzet hun „geweten, hun persoon, hun naam” af te staan aan de staat, de kerk, of hun vrouw.

Zijn onderwerp vond hij in het puriteinse New England van de 17de eeuw, een der bakermatten van de Amerikaanse cultuur. In het plaatsje Salem had in 1692 een heksenjacht het leven gekost aan eenentwintig burgers. Miller schreef hierover The Crucible, door het Nationale Toneel opgevoerd als Heksenjacht, in een nieuwe vertaling van Kristien Hemmerechts.

Groepsterreur en massahysterie rondom een denkbeeldige vijand zijn van alle tijden. Of het nu een schoolklas is die een kind doodpest, of moslims die iedere andersdenkende met de dood bedreigen, of de Nederlandse regering die haar bloedhond Verdonk losliet op onschuldige asielzoekers en moslims.

Regisseur Franz Marijnen brengt het stuk helder en aangrijpend, maar er kleeft iets ouderwets en armoedigs aan zijn versie. Dat ligt deels aan het kale decor, een leeg toneel met wat stoelen en kerkbanken, dat op zich wel past bij de gereformeerde sfeer, maar dat wel tegen het stuk werkt. Voor een deel ligt dat ook aan het feit dat Millers werk langzaam aan het dateren is. Net als werk van zijn tijd- en landgenoten schreef hij een soort psychologische romans op toneel, met dialogen volgepropt met informatie, veel uitleg, veel lijnen. Vooral het eerste bedrijf heeft hieronder te lijden. Niet alleen moeten er eenentwintig personages worden geïntroduceerd (door Marijnen teruggebracht tot zeventien), Miller geeft ook nog een uitgebreid exposé over de machtsverhoudingen in Salem en de onderliggende problemen van de gemeenschap.

De acteerprestaties zijn wisselvallig, de voorstelling wordt nogal gedomineerd door de oudere heren, in de rollen van de gezaghebbers. Ze brengen een barokke, alles wegblazende stijl mee die de subtiliteit van het stuk geen goed doet. Van de meisjes, die met hun hysterische aanvallen en beschuldigingen de motor achter de jacht vormen, blinken Pauline Greidanus, als het door twijfel verscheurde dienstmeisje, en Wendell Jaspers uit. Jaspers speelt Abigail, een doortrapte, wilde kat die uit gefnuikte liefde en trots het rad van ondergang in gang zet.

Jochum ten Haaf speelt John Proctor, de held van het verhaal; een vrijdenker, sociaal-democraat met anti-autoritaire neigingen en innerlijke twijfels, een 20ste eeuwse held die enigszins verdwaald lijkt in deze 17de eeuwse boerengemeenschap. Twee eeuwen voor Nietzsche roept deze puritein al: „God is dood!”

Ten Haaf heeft een eigenzinnige, hoekige, emotionele speelstijl waaraan je altijd wat moet wennen, en die hem laat opvallen en apart zet van de rest van de groep. Dat maakt hem geknipt voor de rol van buitenstaander. Vreemd genoeg is dit voor het eerst sinds zijn terugkeer uit Londen en New York, waar hij Vincent van Gogh speelde, dat hij een dragende rol speelt. Hij doet het vol vuur, hij is degene die vloeiend bloed geeft aan deze verder enigszins houterige opvoering.