Het geheim van je diepste wens

Als je diepste wens vervuld kon worden, zou je dat dan willen?

Die vraag stelden we elkaar. We hadden met zijn allen een film bekeken die meeslepend en geheimzinnig was: Stalker van de Rus Andrei Tarkovski, uit 1979.

We waren het erover eens geworden dat de film een innerlijke reis verbeeldde, dat de raadselachtige ‘zone’ waar de drie personages doorheen trekken en die nog het meest lijkt op een gebied waar een kernramp heeft plaatsgevonden, dat die zone zoiets is als het leven: onkenbaar, vol valkuilen, de een weet er de weg heel wat beter in te vinden dan de ander. In de film wordt beweerd dat in het midden van de zone een kamer is. En als je die kamer bereikt, áls, want de tocht erheen is moeilijk en vol gevaren, dan wordt je diepste wens vervuld.

Dat klinkt als een sprookje, maar geleidelijk aan wordt duidelijk, dat net als in sommige sprookjes of mythes, het vervuld worden van wensen niet per se een onverdeeld genoegen is. Denk aan koning Midas en zijn goud.

Er is, zo wordt in de film verteld, een man geweest die tijdens de tocht door de zone zijn broer verloor. Hij beschouwde dat als zijn schuld. Hij ging de kamer in en smeekte om zijn broer. Hij kwam terug in de wereld en was steenrijk. Hij hing zich op. Omdat hij, zegt een van de personages, inzag dat rijkdom eigenlijk zijn diepste wens was. En met dat inzicht kon hij niet leven.

De kamer kan dus een wens vervullen die je zelf niet erkent als je diepste wens.

De drie personages gaan de kamer niet in. Ze deinzen terug voor het in vervulling laten gaan van wensen – al zeggen ze dat zo niet. Het is trouwens ook erg moeilijk om te geloven dat het waar is, want wat een ellendige boel is het daar bij die kamer. Het hele gebied hangt van roest, nattigheid en verval aan elkaar.

Sommigen van ons zeiden zonder aarzeling dat ze de kamer zeker in zouden gaan. Anderen zeiden: „Ik geloof helemaal niet in de waarheid over jezelf.” Weer iemand anders zei dat ze er überhaupt niet van overtuigd was dat ze in die kamer moest geloven.

Het is een moeilijke vraag. Misschien is het zelfs wel een té intieme vraag. Wat leeft er diep in je? Heb je vertrouwen in wat je daar aan zult treffen? En leeft er wel iets diep in je? Is er inderdaad wel zoiets als een diepste wens, een diepste waarheid, of is dat allemaal maar een vreemd soort romantisch geloof in diepte waar je meer aan een verzameling eigenschappen, ervaringen en voorkeuren moet denken?

We kennen onszelf niet, dat lijkt wel zeker.

Tarkovski zelf schrijft in een essay dat de reizigers niet de geestelijke kracht bezitten om in zichzelf te geloven.

Toch waren er mensen aan tafel die zeiden: oh ja, ik stap zo die kamer in. Die hadden die kracht dus wel. Dat maakt jaloers. In jezelf geloven betekent hier niet zoiets als: zeker weten dat je de beste bent. Het betekent vertrouwen hebben. En zelfs, waarschijnlijk, vertrouwen hebben in je eigen kracht om lief te hebben, niet jezelf maar anderen. Dat lijkt de rest van de film wel te willen beweren. Dat het daarom gaat.

Tarkovski schrijft ook ergens, dat vrijheid betekent „leren om uitsluitend eisen aan zichzelf te stellen, niets te verlangen van het leven of van anderen”. Die eisen aan zichzelf lijken bij hem vooral de eis te zijn om voor anderen te betekenen wat je kunt, hij heeft het zelfs over „zichzelf offeren” wat misschien menigeen onaangenaam christelijk in de oren klinkt, maar wat toch interessant is. Zichzelf offeren kan betekenen: helemaal van iemand houden, wat dat ook van je vraagt.

Niet dat het zo gemakkelijk is te begrijpen wat dat dan weer betekent. Wat is in overgave van iemand houden? En wat als we dat eens wat groter maken, wat in Stalker eigenlijk ook gebeurt: de mensen dienen, wat is dat? Hoe dien je de mensen – hopelijk niet door ze je eigen waarheid op te dringen, dat soort liefde kennen we nu wel.

Ik denk dat Tarkovski zoiets bedoelt als: stel jezelf niet centraal. Probeer van je eigen leven geen rechtvaardigend verhaal om jezelf heen te maken. Kijk naar de behoeften van degenen om je heen.

Zo klinkt het als een film met een brave moraal, maar zo’n film is het niet, het is een geheimzinnige wereld van vragen en betekenissen. Met ergens in het centrum die vraag naar je durf om je diepste wens in vervulling te laten gaan.

Iedereen speelt dat spelletje wel eens: als je één wens mocht doen? Wat dan? Sommige mensen wensen dan meteen de wereldvrede. Dat is mooi en goed en onmogelijk. Moet een wens een mogelijke wens zijn? Kreeg die man met die dode broer niet heel veel geld omdat het nu eenmaal zo is dat doden niet weer levend kunnen worden? En dat de enige halfgare troostprijs die er in dit leven te verkrijgen is, rijkdom is? Vreselijke gedachte, maar zeker is wel dat de dood alleen maar aanvaard kan worden, niet teruggedraaid. Het lijkt goed om af te spreken dat onmogelijke wensen uitgesloten zijn.

Ik droomde laatst dat een dode vriend was teruggekeerd. Het leek wel een of andere mythe, hij was er, maar we wisten dat hij niet zou kunnen blijven, en iedereen was dus zowel gelukkig om hem te zien als doodongelukkig om hem straks wéér te moeten missen. En het huidige leven, dat bleek ook in die droom, dat kon ineens niet meer bestaan. Want alles was doorgegaan sinds zijn vertrek, en wat doe je met het leven als je terugkeert, het leven dat jouw lege plek zowel bewaard als verplaatst heeft? Onmogelijke wensen zijn wensen tegen het leven zelf.

Wat een film. Toch ga je ervan geloven dat het mogelijk is om in die kamer aan te komen, als je maar met aandacht en voorzichtigheid door de onbewoonde zone blijft trekken, waar geen enkele weg recht op zijn doel afgaat. En dan, op een dag, ga je erin, in die kamer. Je overdenkt je leven, je bent niet bang. En je keert terug. Wijzer. De kamer was al niet meer nodig.