‘Hans en Grietje’ grimmiger dan Grimm

Voorstelling: Hänsel und Gretel van E. Humperdinck door de Nat. Reisopera o.l.v. Guido Johannes Rumstadt. Regie: Richard Jones. Decors/kostuums: John MacFarlane. Gezien: 3/3 Twentse Schouwburg, Enschede. Tournee t/m 29/3. Inl.: www.reisopera.nl

Zelden is de onschuld van sprookjes onverdacht. Waren Hans en Grietje wel zo simpel snoeplustig als wij moesten geloven? Of zijn het betoverde bos, het brosse koekhuisje en de akelige heks metaforen voor de ware wereld, en moeten we het verhaal duiden als ‘pre-fascistische Kriminalgeschichte’, zoals soms door boze tongen wordt beweerd?

De nieuwe productie van Humperdincks sprookjesopera Hänsel und Gretel door De Nationale Reisopera is weliswaar allerminst gezellige kindervakantierepertoire, maar dergelijke psychologisering wordt er gelukkig vergeefs in gezocht. Regisseur Richard Jones heeft van Hänsel und Gretel – van origine juist een gekuiste versie van het verhaal – vooral een nihilistisch en bloederig sprookje voor volwassenen gemaakt, grimmiger nog dan Grimm. De honger van de ouders, de door honger aan snoepzucht ten prooi gevallen kinderen, de heks; allemaal zijn het individuen die worden opgejaagd door het geroffel van hun lege maag.

Die visie, door Jones ontwikkeld voor de Welsh National Opera, daar bekroond met een Laurence Olivier Award en hier heringestudeerd door Annilese Miskimmon, is niet mis te verstaan. Tijdens changementen wordt het toneelbeeld afgedekt met hongertableaus: een leeg bord, een hongerige mensenmuil, een met bloed besmeurd couvert. Die beelden verduidelijken ook de crux van deze opera; voor kleine kinderen te macaber, voor ‘volwassenen’ te zoet. Feitelijk is Hänsel und Gretel nog het meest een opera over en voor de surrealistische schemer tussen kindertijd en volwassenheid, zoals de Mahleriaanse gloed in onder meer de door Machteld Baumans betoverend gezongen aria van het zandmannetje fraai suggereert.

In de scènes waar suspense samen gaat met humor, is de voorstelling op zijn sterkst. Nadat Hans en Grietje door het zandmannetje (een broertje van Dobby uit Harry Potter) in slaap zijn gebracht, delen ze een droom van engelen in kokskostuums die een feestmaal bereiden. Maar het enige feestmaal dat werkelijk dreigt, is het dat van de ‘Knusperhexe’.

Tenor Nigel Robson, in een ijzersterke travestierol als de oorspronkelijk voor sopraan gecomponeerde heks, maakt van het slottafereel een soort Ready Steady Cook in horrorsfeer. Tegen de wanden leunen de kindertjes die al zijn omgetoverd tot speculaaspoppen, op het kookeiland wordt Hänsel als een foie gras-gans vetgemest met een troebele snoepsoep van live gepureerde bossebollen. Simpel maar effectief is daarna de slotscène, waarin de reeds tot peperkoek gebakken – net nog levenloze poppen – tot leven komen in een loepzuiver zingend kinderkoortje.

Dirigent Guido Johannes Rumstadt zorgt met de goede hoofdrollen van Nerys Jones (Hänsel) en Mary Hegarty (Gretel) voor sterke scènes, die verduidelijken hoe Wagneriaans-effectvol Humperdinck componeerde. Dat de subtiliteiten door Holland Symfonia vaak nog te slordig en ruig worden uitgevoerd, wordt gecompenseerd door de schoonheid van het avondgebedduet Abends wenn ich schlafen geh’ – niet voor niets in 2004 dé hit bij de doop van prinses Amalia.